Anne Breure: het Veem Theater als een huis met open deuren

Eerder verschenen in Theatermaker (april 2014) – dossier mime: de waarde van nul

Het Veem Theater moet een plek worden waar een open debat kan plaatsvinden; een huis waar theater wordt geproduceerd en getoond maar dat ook een voedingsbodem biedt voor experiment en discours. Wat de nieuwe artistiek directeur Anne Breure voor ogen stond met haar afstudeerproject Het Gele Huis bouwt ze nu in het groot uit aan de Van Diemenstraat in Amsterdam.

In 2011 zette mimestudent Anne Breure (1988) een huis op het Marie Heinekenplein in Amsterdam. Met haar afstudeerproject Het Gele Huis trad ze in de voetsporen van Vincent van Gogh, die in Zuid-Frankrijk een plek had willen inrichten waar mensen uit kunst, wetenschap en politiek elkaar konden ontmoeten. Van Goghs project strandde na een ruzie met Paul Gauguin, zijn eerste gast. Breures huis vulde zich wel. Een weekend lang liet ze performances en ontmoetingen plaatsvinden in haar Gele Huis. ‘Misschien gaat dergelijk idealisme geheel tegen de tijdgeest in,’ schreef ik daarover destijds in Theatermaker (juni 2011), maar Breure krijgt het toch maar mooi voor elkaar. Zij maakt van haar droom werkelijkheid; Het Gele Huis is daarmee het naïeve idealisme ver voorbij.’

Bijna vier jaar later grijpt Anne Breure de kans om de mentale tekening van Het Gele Huis over de fysieke ruimte van Het Veem Theater te leggen, waar ze afgelopen november werd aangesteld als artistiek directeur.

Anne Breure studeerde af in wat zij noemt ‘het jaar van de schreeuw’: het jaar van de cultuurbezuinigingen, de harde toon van Zijlstra, het verontwaardigde maar vergeefse protest vanuit de kunstsector. Terwijl het kunstenveld implodeerde, besloot Breure, op dat moment al enige tijd actief voor de Jonge Democraten, de jongerenorganisatie van D66, te solliciteren bij Europarlementariër Sophie in ’t Veld om daar de politieke praktijk beter te leren kennen. Ze kreeg de positie en vertrok naar Brussel.

Breure: ‘Die uitwisseling tussen kunst en politiek was bijzonder. Het ging over verschillende manieren van kijken en het zoeken naar een nieuw verhaal. Europa zat op dat moment net zo goed in een crisis als de kunst. Ook in de denktank waarvoor ik in Brussel vervolgens werkte, merkte ik de kracht van die ontmoeting. In zo’n groep zitten mensen met achtergronden in politicologie, internationale relaties en rechten te denken over hoe we de wereld vormgeven. Mijn blik is dan die van de kunstenaar. Die verschillende invalshoeken geven een heel spannend gesprek.’

Maar hoe inspirerend ook, uiteindelijk liepen die gesprekken in Brussel ook vaak spaak in het bestaande systeem. Breure ging ernaar verlangen zelf weer iets te ondernemen en een eigen discours te ontwikkelen. Ze vond die mogelijkheid door de masteropleiding Art and Politics te volgen aan de Goldsmiths University in Londen. Na de artistieke en de politieke wereld stapte ze nu de academische wereld in. Een omgeving waar toonaangevende schrijvers en denkers werden uitgenodigd en waar studenten van over de hele wereld ’s avonds bij het koken spraken over Foucault, Butler en Arendt en over postkolonialisme, kunst en politiek. ‘Er werd een ruimte gecreëerd waarin je de degens kon kruisen,’ vertelt Breure. ‘Voor mij was het eigenlijk opnieuw een plein, waar iedereen met zijn eigen achtergrond en expertise met elkaar in gesprek gaat. In dit geval gevoed door een omgeving die ongelooflijk rijk is in het denken.’

Een residentie in Den Haag bracht haar terug naar Nederland. Breure: ‘Ik heb altijd wel in de gaten gehouden wat er speelde in Nederland. Ik kreeg het gevoel dat er nu weer braakliggend terrein ontstond en dat er nieuwe dingen konden gebeuren. Je kunt overal wel heen gaan en iets opbouwen. Maar hier ben ik opgeleid en liggen mijn wortels. Dus als hier iets gebeurt, word ik daar het meest boos over en gaat mijn hart het snelst kloppen.’ Ze raakte al snel betrokken bij het Transitiebureau, de Agenda en BAU Space for Performing Arts. Allemaal initiatieven waarin het denken en praten over alternatieven centraal staan.

Verrijking

In haar hoofd tekende Breure verder aan wat een nieuw ‘geel huis’ kon zijn. In 2011 bestond die tekening uit een huis op een plein. Aan beide kanten van het huis vier deuren. Een tribune die naar buiten en een gespiegelde tribune die naar binnen keek. Het was vertrekkend directeur Bojana Mladenovic die suggereerde om haar tekening van Het Gele Huis en die van Het Veem Theater over elkaar heen te leggen. ‘Ik realiseerde me dat ik hier een soortgelijk huis kon bouwen. Het fundament had ik al.’

De oorspronkelijke tekening van Het Gele Huis transformeert dan ook continu. Allereerst door de academische verrijking die Goldsmiths haar bracht. ‘Ik zou nu nooit meer op die manier zeggen dat ik kunst, wetenschap en politiek wel even samenbreng.’ Daarnaast ook door de realiteit die een instituut met zich meebrengt en het huidige Nederlandse cultuurbeleid. ‘Met dat verhaal, de energie en de bevlogenheid van Het Gele Huis, ben ik in gesprek gedaan met het bestuur en de zakelijk leider van Het Veem,’ vervolgt Breure. ‘Vervolgens kwam ik binnen en bam, ik kreeg de cijfers, de doelstellingen en de begrotingen op mijn bureau. Er is een beleidsplan voor de huidige periode, er zijn makers verbonden aan het huis en een erfenis waarmee ik rekening moet houden. Maar ik gedij daar ook goed bij. Ik kijk graag binnen kaders en systemen waar de grenzen werkelijk liggen en wat ik verder kan buigen en oprekken om nieuwe ruimtes te creëren.’

Breure hecht grote waarde aan het werk dat in Het Veem wordt gemaakt en getoond. ‘Misschien omdat het wel het meest politieke theater is. Er is een tijdlang behoefte geweest aan politiek theater in de vorm van voorstellingen over Wilders, vluchtelingen, Janmaat. Naar mijn idee valt dat vaak in een discours dat we al voeren.’

Volgens Breure hebben we juist behoefte aan nieuwe voorstellen en nieuwe manieren van kijken. ‘Remote sense bijvoorbeeld van Rodrigo Sobarzo gaat over de relatie tussen mens en omgeving. Het is een abstracte performance die ook wel omschreven wordt als installatie of animatiefilm. Daarbij stelt hij op zo’n radicale wijze een andere orde voor dat hij daadwerkelijk onze manier van kijken ter discussie stelt.’

De vernieuwende en soms radicale voorstellen van de Veem-makers komen voort uit een autonomie die volgens Breure intact moet blijven. De kern van Het Veem Theater blijft het produceren en presenteren van werk – het is en blijft een productiehuis – maar Breure wil dat het huis ook op andere manieren een rijke voedingsbodem biedt voor experiment, discours en nieuw denken. Er ligt wat haar betreft een taak voor het huis om bruggen te slaan naar de omgeving en het publiek een context te bieden. ‘Ik zie het als de verantwoordelijkheid van het huis om ingangen te bieden tot het werk dat hier wordt gemaakt en getoond. Voor mij zijn dat die vier deuren aan beide kanten van het huis. Dat hoeft niet te zeggen dat ik ga uitleggen hoe mensen moeten kijken, maar wel dat ik een mogelijke bril aanreik. Zodat je als toeschouwer ook wordt uitgenodigd om het universum van de maker te lezen.’

Voorstellen volgens Mouffe

Deze meer filosofische insteek ontleende Breure aan de Belgische politicoloog Chantal Mouffe (1943). Zij is als professor politieke theorie verbonden aan de universiteit van Westminster en specialiseert zich als denker vooral in de rol van conflicten in een democratie. Zij pleit voor een ‘agonistisch pluralisme’, een houding waarbij mensen doordrongen zijn van de noodzaak van conflicten en tegenstellingen in een democratische samenleving. ‘Je hebt “de politiek” met het Europees Parlement, de Tweede Kamer, de verschillende partijen et cetera,’ licht Breure toe, ‘maar dat is iets anders dan “het politieke”. Het politieke is dat elke orde die we hebben ook een andere orde zou kunnen zijn. We zouden in de politiek daarom verschillende waarden moeten voorstellen. Mouffe stelt echter dat “het politieke” is verdwenen omdat we het neoliberale waardensysteem als de enige mogelijkheid zijn gaan zien. Een discussie over de zorg gaat alleen maar over de financieel meest efficiënte manier om medische zorg te organiseren. En dat nemen we als vanzelfsprekend over. Alsof er maar één orde is. Ook in de kunst. Toen ik in Nederland terugkwam vond ik het choquerend om te merken hoe ver gevorderd dat hier was.’

‘Voor Mouffe,’ vervolgt Breure, ‘gaat het erom dat er een ruimte wordt gecreëerd waarin verschillende voorstellen, verschillende ordes met elkaar in conflict gaan, terwijl de rechten van de opponent worden erkend. De een mag een voorstel doen en de ander mag een tegenvoorstel doen. Iemand als Hannah Arendt bijvoorbeeld heeft dan als insteek dat een gesprek over die twee voorstellen kan eindigen in een consensus. Maar Mouffe hecht juist waarde aan het bestaan van die verschillende voorstellen. Je móet kleur bekennen.’

De kunst, meent Breure, is daar de uitgelezen plek voor. ‘In de kunst kun je al die verschillende voorstellen naast elkaar laten zien. In het Veem Theater presenteren we kunstenaars die daar radicaal voor staan. Niet zozeer vanuit een inhoudelijke argumentatie, maar vanuit de behoefte aan onderzoek naar een nieuwe vorm. Zodat onze manier van kijken steeds weer op scherp wordt gesteld.’

Breure hamert nog eens op het belang van die nieuwe voorstellen, nieuwe vormen, nieuwe manieren van kijken, zoals ze die in Het Veem Theater een kans wil geven. ‘We zitten volledig vast in de huidige systemen,’ stelt ze. ‘Of het nu gaat om de economische crisis, ons politieke systeem, duurzaamheid, onze kunstinstellingen; het is onhoudbaar wat we doen. De systemen zijn vastgelopen.’ Maar ook zit er volgens haar een gevaar in het aannemen van één enkele orde, zoals nu het neoliberalisme. ‘Daarom moeten er andere voorstellen komen.’