All posts by Erica

PS|theater: De dorpse stad

Blog: De dorpse stad

Na tien jaar werken in de stad Leiden, richten we vanaf 2020 de blik ook voorbij de stadsgrenzen. In het themajaar De dorpse stad gaan we zoek naar hoe we met de ander verbonden zijn.  In een wereld die zo groot en vluchtig is als die van ons nu, zou je bijna kunnen vergeten waar je bent en met wie je daar bent. De stad vindt weliswaar een aantrekkingskracht door economische belangen en bruisend leven, maar schaalvergroting betekent ook anonimiteit en eenzaamheid. De behoefte aan verbinding blijft. Zijn we eigenlijk niet gewoon op zoek naar een dorp in de stad? 

Dit jaar gaan we aan het werk bij onze buren: de gemeenten Zoeterwoude, Voorschoten, Oegstgeest en Leiderdorp. Verschillende gemeenten met hun eigen identiteit, hun eigen tradities, hun eigen dorpsgevoel. Bloeien zij op door de nabijheid van de stedelijke dynamiek? Of worden ze juist klein gehouden door de grote boze stad? Is de lokale democratie en sociale cohesie niet sterker op plekken waar de lijnen tussen burger en bestuur korter zijn?

In zijn boek De ontmanteling van de democratie schrijft de Leidse journalist Marcel ten Hooven over de kunst van het samenleven. Voor Ten Hooven is democratie een manier om fatsoenlijk met elkaar om te gaan. “Behalve op een stelsel van formele regels, procedures en instituties rust zij op een sociaal bewustzijn, een besef dat je met anderen leeft en lang niet altijd het laatste woord zult hebben of volledig je zin zult krijgen”. In een democratie moet er dus ruimte zijn voor andersdenkenden, voor diversiteit, voor pluralisme. Het streven is niet een eenstemmigheid of een totale consensus, maar juist het kunnen omgaan met de onderlinge verschillen. “De volkssoevereiniteit neemt pas een democratische vorm aan als zij is gekoppeld aan burgerlijke rechten en vrijheden die minderheden beschermen, niet als zij is gekoppeld aan de wil van de meerderheid. In de betekenis van de georganiseerde kunst van het samenleven gaat democratie veeleer om de bescherming van minderheden dan om de vorming van een meerderheid.”

Wie geeft de microfoon aan de gematigde stem? Die vraag stelt Denker des Vaderlands Daan Roovers in een essay in de Volkskrant van 20 april 2019. Zij schetst hierin de ontwikkeling waarin vooral de extreme standpunten ruimte krijgen in de politiek en de media. Maar die extreme standpunten vertegenwoordigen niet de meerderheid van de samenleving. Een groot deel van de Nederlanders, het milde midden, heeft een minder uitgesproken mening. Roovers vindt dat een zorgelijke ontwikkeling omdat “media (en politiek) zich verder van hun lezers en kiezers vervreemden. Dat ik, en velen met mij, mijn stem niet meer gepresenteerd zien in een krant, in een publiek debat, op tv, of in de politiek. En dat, in een poging de kloof tussen elite en burger te verkleinen, door de uitzonderlijke mening een podium te geven, die op deze manier alleen maar wordt vergroot.” In haar essay verwijst Roovers naar Cass Sunstein die zich als hoogleraar aan Harvard heeft bezig gehouden met onderzoek naar depolarisatie en het belang van het midden daarin: “Het in contact brengen van twee extreme tegenpolen leidt alléén tot toenadering als je ook het midden erbij betrekt. (…) Zonder begeleiding van de gematigde stem is de kans dat beide polen zich verder harnassen in hun eigen gelijk groot.”  Daarbij is het van belang om te zorgen voor een gezamenlijke context die dus juist niet online plaats vindt. “Als er sprake is van onderlinge verbondenheid is de kans veel groter dat verschillende polen bij elkaar komen. Lokale en provinciale politiek zijn hiervoor bij uitstek geschikt.”

Dus, op naar de dorpse stad!

Blog PS|theater: Zoeterwoude

Daar reed ik dan. Op de fiets. Tussen de koeien. Met de A4 nog maar net achter me en met in mijn blikveld zowel een ouderwetse Hollandsche molen en een torenhoge windmolen. Ik ben nu al in een andere wereld. Ik ben op weg naar Zoeterwoude voor een afspraak met burgemeester Liesbeth Bloemen en cultuurwethouder Ruud Bouter. Ze overladen me met tips. Ik moet zeker nog eens hier langs fietsen en daar eens gaan praten. Maar het mooiste deel van het gesprek is toch wel het betoog van de cultuurwethouder over zijn dorp. Hij schetst een hechte gemeenschap, waar de sociale cohesie groot is, mede dankzij de inzet van de vele vrijwilligers en de korte lijnen tussen burger en bestuur. Van binnen juich ik. Precies het verhaal dat we zoeken voor volgend jaar. Vervolgens belandt de burgemeester in een iets te lange uiteenzetting over een of andere kwestie omtrent afvalcontainers. Mijn juichen sterft langzaam maar zeker weg. Ben ik nou serieus met een burgemeester ruim een kwartier over de vraag of je je vuilniszakken wel of niet even in de auto kan zetten om weg te brengen?

Nee. De burgemeester wijdt weliswaar echt wel te lang uit over deze kwestie, maar eronder ligt een ander verhaal. Tussen de regels door beschrijft zij ook haar aanpak. Hoe zij van deur tot deur het gesprek aan ging met de bewoners van de straat. Hoe zij luisterde naar hun bezwaren, maar daar ook praktisch en nuchter tegenwicht aan bood. Daarmee ging de anekdote dus niet alleen over afvalcontainers, maar ook de keuzes die een gemeente maakt en hoe de gemeenschap wordt meegenomen in veranderingen die nou eenmaal nodig zijn, wil Zoeterwoude verduurzamen.

Het gesprek zet me wel aan het denken. Het gaat over vuilniszakken, maar het gaat niet over vuilniszakken. Het gaat over hoe je als gemeentebestuur steeds moet schipperen tussen mee bewegen met de tijd en gas terugnemen om de club bij elkaar te houden. Enerzijds moeten er beslissingen genomen worden voor de toekomst, moeten sommige zaken nou eenmaal aangepakt en veranderd worden en mag een gemeente daar best daadkrachtig in optreden. Anderzijds zitten de inwoners totaal niet op verandering te wachten en moet je tussen de mensen daarin mee krijgen. Ook als dat betekent dat je oeverloos zit te emmeren over huisvuil.

Terug op de fiets. Door de weilanden, langs de koeien en de molens terug naar de stad. Ik weet nog niet of ik nu net een schoolvoorbeeld van democratie in werking heb gehoord. Als dat namelijk wel het geval is, waarom word ik er dan toch zo mismoedig van?

Blog PS|theater: Eskender

Depressed. Hij legt het woord op tafel alsof hij net heeft gezegd ‘met melk en suiker graag’. Tegelijkertijd draagt het woord de zwaarte van jaren vluchten en wachten. Wij dachten een hele veilige vraag gesteld te hebben. Hoe ziet je dag eruit? We verwachtten heus geen rooskleurige dagbesteding. Misschien iets over fietsen door de stad, wat onofficieel vrijwilligerswerk of deelnemen aan een activiteit in het buurtcentrum. Maar dit antwoord en de toon waarop het ons voor de voeten wordt gegooid, brengt ons uit balans.

Die ‘ons’, dat zijn Pepijn Smit en ik. Wij zijn theatermakers van stadsgezelschap PS|theater in Leiden. Op het moment van de ontmoeting, zitten wij volop in de research voor een theatervoorstelling over de ongedocumenteerden in de stad en het migratiesysteem in Nederland. Die ‘hij’ is gevlucht uit Ethiopië, uitgeprocedeerd en ‘woonachtig’ in de Bed Bad Broodopvang in Leiden.  In de maanden hiervoor spraken we al met allerlei instanties. Ieder gesprek ging ons goed af. We stelden vragen. We luisterden naar de antwoorden. Het onderwerp bleek steeds complexer, maar dat vonden we juist reuze interessant.

Onze research is natuurlijk niet compleet zonder de ongedocumenteerden zelf. De Bed Bad Broodopvang opent zijn deuren voor ons. Op een mooie voorjaarsdag, sluiten Pepijn en ik voor het eerst aan bij de wekelijkse inloopkoffie op dinsdagochtend. Voor we weten, zitten we in de voorjaarszon tegenover deze man. We stellen onze vraag. Hoe ziet je dag eruit? We krijgen dat antwoord. Depressed. En even weten we niet hoe we verder moeten.

Het gesprek komt uiteindelijk toch op gang. We horen een deel van zijn vluchtverhaal. We zijn geraakt door de zorgen die hij zich maakt om zijn ouders en zijn zoon, die daar nog steeds zijn en gevaar lopen. We zien zijn ogen glinsteren als hij vertelt over zijn geloof en over zijn eigen herinneringen aan theater in zijn tienerjaren. We maken kennis met een mens die meer blijkt te zijn dan onze aannames over ongedocumenteerden.  

Na deze ontmoeting weten we even niet goed raad met onszelf. De man heeft ons vooral een spiegel voorgehouden. Het ongemak van het gesprek, de misplaatstheid van onze goede bedoelingen, de plank die we meteen missloegen. We zijn niet bepaald trots op wat wij in die spiegel zien. Gelukkig stopt het verhaal daar niet. De ontmoeting zet ons op een nieuw spoor. We gaan een voorstelling maken waarbij die ongemakkelijke spiegel juist het uitgangspunt is.

Blog PS|theater: Daar & Hier, Toen & Nu

7724 kilometer. Dat is de afstand die Kalyan heeft afgelegd vanaf zijn geboorteplaats bij Bangalore in India naar het Bio Science Park in Leiden. En Pilar uit Mexico-Stad legde een reis af van 9201 kilometer om voor haar PhD ook op het Bio Science Park te landen. Zelf ben ik geboren en getogen in Den Haag, op een schamele 16 kilometer van Leiden. Ik ben in mijn hele leven maar 16 kilometer opgeschoven. Ik schrik een beetje van mijn eigen gebrek aan avontuur. Ik heb de nodige reizen afgelegd, Amerika, China, Zuid-Afrika. Dus ik heb best wel wat kilometers afgelegd en andere werelden gezien. Maar altijd als toerist. Nooit als nieuwkomer in een onbekend land. Continue reading Blog PS|theater: Daar & Hier, Toen & Nu

Recensie: In een feest der herkenning kabbelend naar het nu

De sjofele man uit de jaren dertig komt  het danslokaal binnen, waar de bezoekers net lekker de roaring twenties aan het vieren zijn. Zijn aanwezigheid, die de vrolijkheid confronteert met de armoede en de crisis die buiten dreigen, is hier niet gewenst. Dit moment zet al vroeg in Le Bal, de nieuwe voorstelling van Jakop Ahlbom Company, de toon. Een nieuwe tijd stapt de oude in. Met ieder tijdvak, van 1918 tot nu, een eigen klank, een eigen kleur en een eigen thematiek. Maar ook met steeds terugkerende mechanismen die in een eeuw tijd niet blijken te veranderen. En daarin schuilt meteen zowel de kracht als de zwakte van Le Bal. Continue reading Recensie: In een feest der herkenning kabbelend naar het nu

Fijne vertelling over het onbeduidende alledaagse

‘Kom ik nog naar beneden?’, vraagt Tom Fischer. Als pas overledene kijkt de 27-jarige jongen vanuit het dodenrijk naar een herinnering van jaren eerder. Zijn vader, moeder en zusje roepen hem voor het toetje. Maar Tom bleef die avond op zijn kamer. En het onbeduidende, gemiste toetje blijkt dan toch heel waardevol. Onze straat, de nieuwe voorstelling van Daria Bukvic bij Het Nationale Theater, toont de dubbelheid van het leven. Het is onbeduidend én allesomvattend. Het blijft altijd hetzelfde én verandert steeds.  Continue reading Fijne vertelling over het onbeduidende alledaagse

Recensie Bambie NUL: Waar het kleine groot in kan zijn

De ondertitel bij de nieuwe voorstelling van Theatergroep Bambie kon niet raker zijn: een grote zoektocht in het kleine. Bambie NUL is een treffend miniatuurtje over het allesomvattende menszijn. Uiteraard in de vertrouwde stijl van Bambie, dus met een plant, een boterham, platenspeler en een fles Spa. Met scenes vol alledaagse voorwerpen en handelingen rollen de twee mannen (Paul van der Laan en Jochem Stavenuiter) van de ene in de andere poging. Van de poging om vat te krijgen op de waarneming (en is die dan echt waar), naar de poging om de werking van het hart te begrijpen (en voor wie laat je die sneller kloppen) en de poging om de sterrenhemel vast te leggen op een klein vierkant canvasje. Continue reading Recensie Bambie NUL: Waar het kleine groot in kan zijn

Zeecontainers op Over het IJ: van de werf naar de zon en weer terug

In elf zeecontainers verspreid over het festivalhart van Over het IJ presenteren jonge makers kort nieuw werk. Het levert zoals elk jaar een grote veelzijdigheid aan voorstellingen op. En terwijl collega Sander Janssens aan het bijkomen is van zijn achtbaan langs duister ervaringstheater, sprookjesachtig objecttheater en vrolijk vechttheater, maak ik een reis van de NSDM-werf naar de zon. En weer terug.

(eerder verschenen op Theaterkrant.nl)

Met drie onbekenden zit ik aan een kleine tafel in een container. Op de tafel ligt voor ieder van ons een script. In Een script voor vier personen van Rob Smorenberg is het aan ons. We slaan de eerste bladzijde open en lezen de tekst hardop voor. Eerst een monoloog, dan ontvouwt zich een dialoog en ten slotte een koorstuk. Daarmee initieert Smorenberg een theatrale ontmoeting tussen vier onbekenden die, in een kwartier, een gezelschap vormen die dit script tot een goed einde moet zien te brengen. Inclusief muziek, licht en ons eigen slotapplaus. Daarbij is het ‘hier’ van de container en het ‘nu’ van dit tijdsbestek een belangrijk uitgangspunt, zowel in de tekst die voor ons ligt, als in de ontmoeting die ontstaat. Daarnaast wordt in de tekst een interessant gegeven aangestipt, wanneer de vierde persoon die tot dan toe nog geen tekst had, wordt aangesproken. Deze ‘stille persoon’ spreekt geen woorden uit die haar in de mond worden gelegd en is daarmee het meest zichzelf. Was deze boeiende omkering binnen het theatrale concept meer uitgewerkt, dan had dat de performance meer gelaagdheid gegeven.

Ook Cassandra Onck maakt van haar container uiteindelijk een ‘hier en nu’. Haar This is all happening right now is een muzikaal duet tussen haar stem en live webcambeeld van over de hele wereld. Met een druk op de knop zijn we aan zee, staan we op Times Square of kijken we naar een druk kruispunt in Tokyo. In de performance experimenteert Onck op verschillende manieren met het laten samen vallen van haar stem met het beeld. Het is een poging om ons – voor een moment – deel uit te laten maken van een andere plek en ons verbonden te laten zijn met de mensen daar. Uiteindelijk keert Onck toch terug naar het echte ‘right here, right now’ van de container. In deze ruimte en in deze tijd hebben we dit met deze mensen samen meegemaakt. Het idee achter This is all happening right now is interessant en treffend voor deze tijd. Maar de uitwerking is net even te rommelig en te gehaast om echt meegenomen te worden. Daardoor beklijft de performance uiteindelijk niet.

Eenzelfde euvel treft De nutteloze massa van Gerbrand Bos. Bij deze ‘interactieve happening’ – die uiteindelijk niet zo interactief is – is één zijde van de container opgemaakt en voorzien van een gordijn van dikke, ondoorzichtige lamellen.  In die lamellen zitten kijkgaten die een blik bieden op het festivalhart. Via een koptelefoon horen we een soundscape en de voice-over van een Siri-achtige dame belooft ons dat een bepaalde order naar ons onderweg is. En inderdaad zien we op een gegeven moment drie performers opduiken tussen het argeloze festivalpubliek. Ze dragen zwarte shirts met witte horizontale en verticale streepjes, als een soort grid. Op hun rug dragen ze grote, vierkante tassen met hetzelfde zwart-witte grid. Als een soort Deliveroo-bezorgers van de toekomst dwalen over het festivalhart tussen de argeloze mensen. De nutteloze massa is met het gegeven van gluren over het terrein, waar performers en bezoekers elkaar krijgen, een mooie aanzet tot een boeiende performance. Maar ook hier mist nog de nodige uitwerking, waardoor je als toeschouwer weinig vat krijgt op waar je nu naar zit kijken en waardoor de performance niet genoeg vervreemding of poëzie tegenover de alledaagse gang van festivalzaken zet.

Na de blik op de wereld, de blik op elkaar en de blik op het festivalhart geworpen te hebben, laat Cees Walburg Schmidt in Artaud gaat dood de blik van de toeschouwer op een heel andere manier inzoomen. We kruipen dicht tegen elkaar aan op de bankjes in de container en kijken naar een man in zijn bed, vermoedelijk zijn sterfbed. Hier stort Walburgh Schmidt een monoloog als een stortvloed over ons heen. Wat begint bij het moeten leren van het alfabet aan het eind van je leven wordt een woordentrip met flarden uit gedachtengoed van de theatervernieuwer Antonin Artaud en allerlei associaties. Er is – geheel in de geest van Artaud – nauwelijks vat op te krijgen, maar Walburgh Schmidt loodst ons met zijn luchtige tekstbehandeling en transparante speelstijl er schijnbaar moeiteloos doorheen. Walburgh Schmidt heeft daarbij het bijzondere vermogen om van deze container een afgesloten tijd en ruimte te maken. Alsof er niet buiten een festival is losgebarsten tijdens een zonovergoten zomeravond. Alsof de tijd stil staat en tegelijkertijd door onze handen glipt.

Maar de meest verre en bijzondere reis maak ik tijdens de audio-installatie O – Het ultieme hoorcollege over de zon van Pleun Peters en Suze van Miltenburg. Ik neem plaats in een ligstoeltje in een volkomen verduisterde container met acht anderen die ik niet meer zie maar van wie ik weet dat ze er moeten zijn. We luisteren naar een tekst die meandert langs wetenschappelijke wetenswaardigheden over het heelal en de zon, filosofische gedachten over tijd en het ‘o’ als niets, en observaties van een veranderende wereldbol gezien vanuit de kosmos. Al deze welbespraaktheid brokkelt uiteindelijk af in steeds kleinere deeltjes. Zinnen worden woorden, woorden worden lettergrepen, worden klanken om te eindigen in letters: de atomen van de taal. Het laatste dat we horen is een ‘o’, de klank die de cirkel, de zon, de oneindigheid omvat, maar ook het element zuurstof als het begin van het leven. Het leven dat aan het eind van de voorstelling weer voorzichtig zichtbaar wordt in een ontroerend slotbeeld van voorbij flanerende festivalgangers met biertjes en teenslippers. We zijn weer op de werf.

JA! Ruimte aan de toeschouwer!

Of ik een reactie wil schrijven op de onlangs verschenen publicatie De taal van de toeschouwer. Tuurlijk. Geen probleem. Helemaal mijn straatje. Nu, een week later met zeven kantjes nutteloze aantekeningen voor me en een dichterbij tikkende deadline, wordt het me steeds duidelijker: ik kom er niet uit. Na de eerste lezing wil ik alleen maar JA roepen. Maar bij een tweede lezing borrelen vragen op die me naar een hartgrondig NEE leiden. En ondertussen kan ik alleen maar denken aan Sandra.

Dat ligt geenszins aan de publicatie. De taal van de toeschouwer is een publicatie van Marijke Dijkwel, Simone van Hulst en Tobias Kokkelmans in een uitgave De Nieuwe Toneelbibliotheek. De aanleiding van deze publicatie is Het Laatste Woord, een serie nagesprekken bij Frascati en Theater Rotterdam, waarbij toeschouwers ruimte kregen om woorden te geven aan hun gedachten en ervaringen na afloop van de voorstelling. Theatermakers en andere experts zijn hierbij nadrukkelijk niet aanwezig. De taal van de toeschouwer werkt toe naar een vrij praktische handleiding voor het zelf organiseren van een nagesprek.

Het initiatief tot Het Laatste Woord wordt door de auteurs gevoed door een verlangen naar een niet-autoritaire uitwisseling in de kunsten. In het openingsessay ‘De taal van de toeschouwer. Ruimte voor publiek discours in een betuttelende kunstpraktijk’, wordt dit verlangen theoretisch onderbouwd. Dijkwel, Van Hulst en Kokkelmans signaleren twee paradoxale trends in de rol die aan de toeschouwer wordt toegeschreven. Ten eerste is er het misverstand dat het publiek bevrijd moet worden uit zijn passiviteit. In sommige kunstprojecten wordt de toeschouwer tot deelnemer gebombardeerd. Filosoof Jacques Rancière verzet zich tegen actieve participatie van de toeschouwer. Hij betoogt in De geëmancipeerde toeschouwer juist dat ook kijken een handeling is. Het kijken gaan immers samen met interpreteren, verbanden leggen, etc. Daar ligt al een actieve houding van de toeschouwer in besloten, ook als die gewoon in zijn stoel blijft zitten. Het moeten deelnemen is juist dwingender en beperkender dan de vrijheid van zelf mogen kijken, interpreteren en verbeelden. Ten tweede noemen de auteurs de misvatting dat co-creatie gaat over het scheppen van democratische en horizontale relaties tussen verschillende betrokkenen. Er is sprake van een schijngelijkheid, want uiteindelijk blijft de kunstenaar aan het roer staan en willen we de ervaring van de toeschouwer blijven beheersen.

Ja, denk ik! JA! Ruimte aan de toeschouwer! Een niet-autoritaire uitwisseling, hoera! Voortaan altijd een Laatste Woord bij iedere voorstelling! Ik kijk naar de drie kantjes aantekeningen op mijn bureau en denk ‘tja, wat heb ik nog hier aan toevoegen?’.  Dan lees ik De taal van de toeschouwer nog een keer. Ik koppel de overdenkingen van de auteurs met de manier van werken van PS|theater, het stadsgezelschap van Leiden, waar ik als dramaturg aan verbonden ben. En dan beginnen de vragen op te borrelen.

Aan de voorstellingen van PS|theater gaat steeds een sociaal-artistieke dialoog vooraf. Wij halen onze inspiratie uit maatschappelijke vraagstukken en uit de persoonlijke verhalen van uiteenlopende mensen uit de stad. De persoonlijke verhalen die wij verzamelen, geven wij een theatrale vertalen om ze op die manier door te kunnen vertellen en nemen wij op in een groter verhaal over samenleven in de stad. Dat grotere verhaal over de stad vertalen wij naar voorstellingen op locatie die gaan over het verlies van gemeenschapszin, over toekomstdromen van de nieuwe generatie, over het praktisch idealisme van dertigers of over het Turkse en Hollandse familiegevoel in een wijk. Op die manier zetten wij ons ambacht als theatermaker in om mensen op een andere manier naar de stad, naar de wijk en naar elkaar te laten kijken. Zoals naar Sandra. Of Charles. Of Monav.

Ik geloof dat ik de term co-creatie niet zo snel zal gebruiken voor het werk van PS|theater. Co-creatie klinkt als een manier van werken waarbij twee partijen even verantwoordelijk zijn voor het proces en voor het eindresultaat. In ons geval bepalen wij de agenda, nemen wij het initiatief en voeren wij de regie. Die co-creatie ligt in ons geval dus meer bij de doorgaande dialoog met de stad, het betrekken van bewoners en organisaties bij onze projecten. Die betrokkenheid zit soms in een enkel gesprek dat ons op een bepaald spoor zet of uitmondt in een liedje. Of in het mogen spelen in iemands huiskamer. Of een brainstorm met medewerkers van een erfgoed-instelling. Of een samenwerking met een maatschappelijke organisatie. Of een dag mee lopen in het buurthuis. Of in zestien ontmoetingen tussen onze acteurs en Leidenaren uit verschillende ‘bubbels’ als inspiratie voor hun personages.

Inmiddels zijn de drie kantjes aantekeningen uitgegroeid tot vijf pagina’s. De gedachten buitelen over elkaar heen en ik begin aan wel tien verschillende artikelen.

Ik wil schrijven dat ik heel blij wordt van een reflectie op de toeschouwer zonder dat het gaat over aantallen en percentages.

Ik vraag mij af of wij met onze voorstellingen soms ook de toeschouwer in de rol van deelnemer dwingen.

Ik stoor me aan de term ‘betuttelende kunstpraktijk’. Door het woord betutteling te gebruiken, geven de auteurs een waarde-oordeel aan het gegeven dat wij theatermakers ook gewoon ons ambacht inzetten.

Ik wil pleiten voor dat ambacht. Wij maken als theatermakers een vertaalslag waardoor een particulier verhaal kan worden overgebracht aan een ander publiek. Want als onze Eva, Tijs en Rian het verhaal van Piet, Marcel en Walter vertellen in Nestelaar, hangt het publiek aan hun lippen. Bovendien zijn wij als theatermakers in staat om de afzonderlijke verhalen te verbinden tot een groter verhaal over het samenleven in de stad. Dat is geen betutteling, dat is ambacht.

Ik wil ingaan op het idee dat de ontmoeting in het theater niet zou moeten plaatsvinden tussen ‘artiest’ en ‘consument’, maar ‘van burger tot burger’. Dat dat dus betekent dat we als theatermakers net zo goed deel uitmaken van de stad, dat we een hoofd en een hart hebben, dat wij in onze oprechte nieuwsgierigheid naar de ander ons net zo kwetsbaar opstellen als de mensen die we betrekken in onze projecten.

Ik wil een nijdig antwoord schrijven over de opmerking dat co-creatie, door de auteurs benoemd als ‘een manier om de toeschouwer meer te laten zijn dat consument’, ‘in de kern een marketingtool is en blijft’. NEE. NEE. Driewerf NEE!

Maar het lukt me niet. De pagina’s met steeds warriger aantekeningen stapelen zich alleen maar op. De deadline is inmiddels gepasseerd. Ik kan nog steeds alleen maar denken aan Sandra. Aan Charles. Aan Monav. Aan Bahaa. Aan Juliette. Aan al die mensen die hun verhaal, hun huiskamer, hun tijd, hun vertrouwen met ons deelden. Ik weet niet of dat dan co-creatie heet. Ik weet niet of dat al dan niet een autoritaire uitwisseling. Ik zie vooral onze poging – en van Marijke Dijkwel, Simone van Hulst en Tobias Kokkelmans –  om mensen, of het nu deelnemers zijn of toeschouwers, deelgenoot te maken van een gedeeld verhaal. Met een Eerste of een Laatste Woord.

Dit artikel is eerder verschenen op Theaterkrant.nl.

Wild Vlees in ijs, gips en zout

(eerder verschenen in Theatermaker, juni 2017)

Ik kan er niets aan doen. Tijdens een doorloop van An incomplete life van Wild Vlees springen de tranen in mijn ogen. Hier is een persoon gaan liggen om zich te laten bedelven onder kilo’s en kilo’s zout dat minuten- en minutenlang uit een zandloper over haar lichaam stroomt tot ze helemaal is verdwenen. Op nog geen kwart van de doorloop kijken performer Francesca Lazzeri en ik elkaar een kort ogenblik aan en de kwetsbaarheid van haar overgave aan het onvermijdelijke verdwijnen raakt me. Kom aan, Smits. Professioneel blijven. Nog maar eens heel dramaturgisch naar het zout staren. Continue reading Wild Vlees in ijs, gips en zout