Boogaerdt & Van der Schoot tegen de versnacking

(eerder verschenen in TMXtra: Boulevard, augustus 2007)

Het klinkt als iets om je op te verheugen: ‘een combinatie tussen de melancholische Tsjechov-sfeer en de grootsheid van het polderland’. De voorstelling Tsjechov bij de bushalte van Suzan Boogaerdt en Bianca van der Schoot gaat tijdens Theaterfestival Boulevard in première. De twee mime-makers voelen zich vrij om in de zomer eens goed te experimenteren.

Met Tsjechov bij de bushalte leveren Boogaerdt en Van der Schoot het eerste deel af van hun drieluik rond Anton Tsjechov. In oktober dit jaar zal het worden gevolgd door 3 zussen, als afsluiter volgt later Olga onderweg. Voor die laatste voorstelling schrijven de makers een serie brieven aan Tsjechovs vrouw Olga Knipper, de eerste vertolkster van Masja in zijn Drie zusters. Al in de eerste twee delen van de trilogie worden deze brieven aan de bezoekers meegegeven.

Drie Zusters, door Tsjechov geschreven in 1900, vertelt het verhaal van Olga, Masja en Irina, drie zussen die zijn vastgelopen in het saaie plattelandsleven en dromen van een beter leven in het grote Moskou. Meestal wordt dit verhaal geënsceneerd als een tragische variant op een Beckettiaans gegeven: ze willen weg maar gaan niet. Boogaerdt en Van der Schoot pakken het anders aan. In hun voorstellingen gaan de zussen wél naar Moskou. Sterker nog, in het eerste deel staan ze al bij de bushalte. In Den Bosch, op Theaterfestival Boulevard.

Dramaturgie uitbuiten

Bianca van der Schoot en Suzan Boogaerdt zijn beiden afgestudeerd aan de Mime Opleiding in Amsterdam. Sindsdien maken zij samen voorstellingen waarbij ze improviseren op basis van een thema of uitgangspunt. Suzan Boogaerdt: ‘In onze werkwijze beginnen we vanuit het niets. We improviseren vanuit een thema en vanuit die brokken moet iets ontstaan dat samen meer is dan de som der delen. Dat is altijd de grootste zoektocht.’

Op die manier maakten ze al Klem (2001), Dolly, and the art of being myself (2003), Kerstpakket (2004), Showroom survival (2005) en Rok (2007). Dat ze deze keer vanuit een klassieke tekst vertrekken komt voort uit hun behoefte ook eens met een vastgelegde dramaturgie aan het werk te gaan. Bianca van der Schoot: ‘Wij hebben altijd gezegd dat we geen repertoire spelen, omdat dat alleen maar ballast is. Maar door dat te vol te houden gooien we misschien het kind met het badwater weg. Waarom zouden we die dramaturgie, dat raamwerk van Tsjechov, dat blijkbaar werkt – want het is al heel vaak succesvol opgevoerd – ook niet eens uitbuiten?’

De personages van Tsjechov passen goed bij het werk van Boogaerdt en Van der Schoot en hun regisseur Maarten Lok. Boogaerdt: ‘Het zijn personages die langere tijd in een bepaalde toestand verkeren, die geen duidelijke ontwikkeling doormaken zoals in grote avonturen. Maarten Lok heeft een voorliefde voor dat soort personages en kan daar ook heel goed mee omgaan. Tsjechov past in dat plaatje. In zijn teksten gebeuren geen heftige dingen, het drama zit in de personages zelf.’

Maar het wordt wel een echte mimeversie van Tsjechov. Zo zullen in Tsjechov bij de bushalte beeld en beweging de voorstelling dragen en neemt de tekst slechts een klein deel in. De gebeurtenissen in Tsjechovs Drie zusters zijn aanleiding tot fantaseren en het maken van beeldende ‘vertalingen’. Zo wordt dat veel te dure cadeau, een samowaar bij Tsjechov, in deze versie mogelijk een pony. En de ‘ogenschijnlijk-niets-aan-de-hand-maar-ondertussen’-sfeer van Tsjechovs kabbelende gebabbel komt mogelijk terug in oeverloos lang doorzeuren over dat veel te dure cadeau en wat er allemaal nog meer met dat geld had kunnen worden gedaan.

Experimenteren

Als het gesprek op het belang en de functie van zomerfestivals komt, volgt van Boogaerdt & Van der Schoot een lofzang op dit fenomeen. Het werken op een locatie tijdens een festival werkt voor de makers verfrissend. Van der Schoot: ‘Je fantasie wordt op een andere manier geprikkeld. We willen dat die boer op zijn tractor komt langsrijden of we willen het plaatselijke dweilorkest uit die boerderij laten komen. Doordat je middenin het openbare leven iets aan het maken bent, begin je vanzelf meer te fantaseren over hoe je de mensen erbij kunt betrekken. Dat zou bij een reguliere voorstelling ook kunnen, maar om de een of andere reden zet je die knop niet snel om.’

Verder is er het grote gevoel van vrijheid dat de twee makers ervaren in het zomerfestivalcircuit. Er is een korte speelperiode, die het beter mogelijk maakt dingen te onderzoeken. Meer dan in het reguliere circuit, waar een minder geslaagd onderzoek toch al snel nog vijftig keer in het land moet spelen.

Dat er sprake zou zijn van een overlap tussen zomerfestivals en productiehuizen, ontkennen Boogaerdt en Van der Schoot. ‘Productiehuizen werken met jonge makers. Wij zijn geen jonge makers meer. Gevestigd zijn we ook nog niet, maar wel draaien we al mee alsof we een structureel gesubsidieerd gezelschap zijn; we moeten al in augustus onze plannen voor het seizoen hierna bedenken en onze voorstelling wordt al verkocht voordat we weten of ze gefinancierd kan worden. Daardoor vallen we tussen de wal en het schip. In die reguliere structuur kunnen we maar tot op zekere hoogte experimenteren, omdat we dus nog die vijftig keer met onze voorstelling het land in moeten. Boulevard is een plek waar wij nog het experiment kunnen aangaan, zoals jonge makers in de productiehuizen doen. Die functie heeft Boulevard voor ons.’

Wat Boogaerdt en Van der Schoot ook opvalt, is dat het publiek van productiehuizen en festivals sterk uiteenloopt. Boogaerdt: ‘Een plek als Gasthuis is ook een laboratoriumplek, maar de theaterleek moet daar wel naartoe worden geholpen. Een zomerfestival is wat dat betreft veel toegankelijker.’ Om publiek binnen te halen hoeven de zomerfestivals geen ‘gemakkelijke’ voorstellingen te programmeren. Juist de zomerfestivals hebben de mogelijkheid artisticiteit en toegankelijkheid met elkaar te combineren. Boogaerdt: ‘Op een zomerfestival is het publiek nieuwsgierig en bereidwillig. Omdat er op verschillende plekken van alles en nog wat gebeurt, hangt niet alles van die ene voorstelling af. Bezoekers staan door de gezellige festivalsfeer meer open voor nieuwe en verrassende dingen. Een zomerfestival is een goede manier om toch aan dat gezonde broodje te komen en kan tegenwicht bieden tegen de versnacking die je op veel plekken ziet.’ De huidige trend dat de zomerfestivals een steeds belangrijker plaats innemen in het Nederlandse theaterlandschap, vinden Boogaerdt en Van der Schoot dan ook een zeer gezonde ontwikkeling.