De mime laat van zich horen

 (eerder verschenen in TM, maart 2008)

Eén productiehuis in de basisinfrastructuur. Daar moet de mime het volgens de Raad voor Cultuur mee doen. Is dat voldoende? Of moet de Nederlandse mime, die internationaal als uniek wordt beschouwd, in het nieuwe subsidiestelsel meer vaste voet aan de theatergrond krijgen? Terwijl heel theaterland zich met het stelsel bemoeit, noodklokken luidt of al dan niet in paniek fusiemogelijkheden bespreekt, laat de mime weinig van zich horen. Of ziet de werkelijkheid er toch anders uit?

Ooit was alles anders. Eind jaren zestig was de mime in verschillende lagen van het theaterstelsel vertegenwoordigd. Zij kreeg erkenning als zelfstandige discipline in de vorm van geoormerkte subsidiëring en sectorale infrastructuur. De emancipatie van de mime vond plaats met een eigen commissie in de Raad voor Cultuur, subsidiepotjes, instituten en belangenverenigingen. Hierdoor kon het veld met het ministerie in discussie gaan en onderhandelen over de positie van de mime en de broodnodige ontwikkeling van het mimebeleid.

In haar doctoraalscriptie Ruimte voor beweging. Over de rol van de overheid bij de emancipatie van de mimesector in Nederland beschrijft Wanda Zoet niet alleen de glorieuze opkomst van de beleidsmatig sterke jaren van de mime, maar ook de ondergang. Behalve al het goeds dat de overheid deed om de positie van de mime te versterken, deed zij ook veel niet of werkte ze de ontwikkeling van de mime zelfs tegen door adviezen van de Raad voor Cultuur in de wind te slaan of gaten te laten vallen in de belangenbehartiging. Het waren woelige jaren met oprichtingen, opheffingen en fusies van instellingen en verenigingen. Zo werd in 1968 de Vereniging voor Gezelschappen op Mimegebied opgericht, met als leden de vijf belangrijkste gezelschappen van dat moment (Bewth, Carrousel, Will Spoor, Cabamime en Funhouse). In 1985 werd deze opgeheven en vervangen door de werkgeversorganisatie MimeCombinatie, die bestond tot 1997, waarna de leden zich bij de VNT voegden. De MimeVakbond ging in 1976 een fusie aan met de kunstenaarsvereniging, nu bekend onder de naam FNV Kiem. Het Instituut voor de Mime werd in 1993 samengevoegd met het Theater Instituut Nederland, waarin de mime in eerste instantie nog was vertegenwoordigd, maar ook dat is inmiddels een zaak van het verleden. In diezelfde periode werd besloten om voor het Tweede Kunstenplan een vooraf geoormerkt budget voor de mime in het kader van de schottenslechting definitief af te schaffen. Het mimeveld, vertegenwoordigd in het Mime Platform, reageerde verontrust. Niet uit angst dat de mime zou verdwijnen, maar dat de ‘uitzonderlijke kwaliteiten geminimaliseerd zouden worden’. ‘Al gauw,’ schrijft Zoet, ‘zouden volgens het Mime Platform vertegenwoordigers van de mime die een minderheid vormden het afleggen tegen het infrastructurele geweld van de grote podiumkunsten waaraan ze waren toegevoegd.’

Woordvoerders van de mime, onder wie Frits Vogels en Ide van Heiningen, probeerden de belangen van de mime te behartigen in een publieke discussie tussen veld en overheid. Volgens Vogels had ‘de Nederlandse mime meer geld dan mime in andere landen zoals Frankrijk. Dit komt niet zozeer door de waardering van de mime, maar door de tendens van de Nederlandse overheid om het geld te verdelen over vele kleine gezelschappen. Dit in plaats van een gecentraliseerde aanpak waarbij het geld naar enkele grote nationale gezelschappen gaat.’ De schottenslechting kwam er echter toch en de tendens om mime bij de grotere discipline toneel/theater te voegen ging eveneens door.

Zoet besluit haar scriptie met een overzicht van de positie van de mime in het jaar 2000. ‘Mime is aan het eind van de twintigste eeuw een kleine en wellicht nog steeds kwetsbare kunst. In een periode van stabilisatie werden immers opnieuw grote veranderingen doorgevoerd in de sector. De mime verdween als aparte infrastructurele- en beleidscategorie. Of dit een afbraak van het emancipatieproces betekent, zal afhankelijk zijn van een stevige controle op subsidietoezeggingen en een beoordeling vanuit inhoudelijke criteria. Door de schottenslechting, de veranderde positie van het adviescollege en het ontbreken van een aparte infrastructuur is het echter de vraag of de mime na 2000 niet zal worden opgeslokt door het recht en het geweld van de sterksten in theaterland.’

Grotere voorstellingen

Inmiddels kunnen we constateren dat de mime niet door de sterksten in theaterland is opgeslokt. Sterker nog, door de ontwikkeling van regisseurs die in hun theatertaal heel dicht tegen de mime aanzitten en die veelvuldig van mimespelers gebruikmaken, kun je zeggen dat de mime een duidelijk en herkenbaar stempel op het huidige theaterwerk drukt. Toch kijkt het mimeveld met gemengde gevoelens naar de veranderingen in het nieuwe bestel. Dit kent acht stadsgezelschappen die vanuit hun instandhoudingsfunctie het spelen van repertoire als opdracht hebben. Zoals de zaken er nu voor staan, zullen tekstgerichte gezelschappen deze plekken innemen. In de basisinfrastructuur is dus weinig ruimte voor de mime, op één productiehuis na.

Is dat erg? Willen de mimers wel in de basisinfrastructuur? Nee, zeggen Bianca van der Schoot (Boogaerdt/VanderSchoot), Peer van den Berg (Suver Nuver) en Wernard Zilver (zakelijk leider van Bambie en Nieuw West). Ja, roept Ingrid Kuijpers van Golden Palace: ‘De ontwikkeling van de mime van de kleine naar de grote zaal staat stil. Met Golden Palace loop ik steeds tegen een grens aan. Ik wil grotere voorstellingen maken met meer spelers. En ik wil in de grote zalen spelen. Om dat mogelijk te maken, heb je een organisatie nodig met een andere structuur dan een klein gezelschap. Het blijkt lastig om die ambitie te verwezenlijken.’

De eerder genoemden voelen niet direct de behoefte een groter gezelschap op te zetten om een plekje in de basisinfrastructuur te bemachtigen of om zich aan te sluiten bij een stadsgezelschap. Het behoud van vrijheid en autonomie zijn daarbij belangrijke argumenten. Zilver: ‘De Bambies hebben een manier van werken die goed bevalt. Ze hebben de vrijheid hun eigen voorstellingen te maken en in andere voorstellingen te spelen. Dat hoeven ze niet zo nodig te veranderen.’ Van den Berg: ‘We hebben overwogen een plan te schrijven voor de positie van Tryater in de basisinfrastructuur, maar we hebben het niet gedaan. Dan moet je een grotere organisatie zijn. We kunnen nu met Suver Nuver doen wat we willen. Dat geeft veel vrijheid.’

Loes van der Pligt (Mimeopleiding) en Marcel Bogers (Veemtheater) zien evenmin een probleem in de ‘magere’ vertegenwoordiging van de mime in de basisinfrastructuur. De kracht van de mime zit in de kleine groepen en die kunnen prima terecht bij het nieuwe Nederlandse fonds voor podiumkunsten. Er zijn wel zorgen over de expertise bij de beoordelingscommissie. Van der Pligt: ‘De grootste moot is en blijft toneel. Andere, kleinere disciplines kunnen dan eenvoudig verdwijnen. Het is dus van groot belang dat mensen die op de hoogte zijn van de ontwikkelingen in de mime en haar specifieke werkwijze de beoordeling uitvoeren.’ Bogers: ‘Het is nog volstrekt onduidelijk of het nieuwe Fonds ermee rekening zal houden dat de mime, buiten één productiehuis, niet in de basisinfrastructuur is vertegenwoordigd. Als het een generalistisch beleid voert, is een zwart scenario denkbaar waarin de gehele mime-infrastructuur van kleine groepen wordt weggevaagd. Ik pleit ervoor dat het Fonds zijn verantwoordelijkheid voor de mime erkent, door de mime als zelfstandige discipline op te nemen bij zijn advisering, vergelijkbaar met de wijze waarop de Raad voor Cultuur in zijn vorige Cultuurnota-advies (2005-2008) onder de noemer “mime” een aantal groepen honoreerde.’ Ook Van der Schoot vindt die expertise ‘aan de poort’ belangrijk: ‘Een mimevoorstelling wordt gevonden in plaats van bedacht. Bij teksttoneel kun je veel meer vanuit het intellect een subsidieaanvraag schrijven, maar wij moeten via dat intellect een voorstelling verwoorden die op de vloer nog moet worden gevonden. Dat is niet de kracht van de mime. Daarom moet een beoordelingscommissie bij het lezen van mimeaanvragen een andere bril kunnen opzetten.’

Een ander punt van zorg is in hoeverre de artistiek leiders van de productiehuizen, van wie veel afhangt, een open blik zullen houden. Van der Pligt: ‘Tot nu toe concentreerde één werkplaats zich specifiek op de mime, maar konden mimers ook aan de slag bij andere productiehuizen en werkplaatsen zoals Gasthuis, Bonte Hond en Huis aan de Werf. Als productiehuizen zich straks heel strikt aan hun profiel houden en mimers geen ruimte meer geven met het argument “jullie hebben al een plek”, hebben we een probleem.’ Op het moment worden, volgens Van der Pligt vanuit de strijd en de paniek om het geld, niet alle keuzes vanuit artistiek inhoudelijke argumenten gemaakt. Dit maakt de consequenties van het nieuwe bestel lastig te overzien. ‘Als het geld is verdeeld, gaat iedereen weer aan zijn eigen werk. Dan wordt pas duidelijk hoe avontuurlijk de gezelschappen en de artistiek leiders zijn en in hoeverre zij ruimte en plaats bieden aan experimentelere makers.’

De mimers kijken dan ook met veel interesse naar een plek als het Toneelhuis in Antwerpen. Als ze fantaseren over een stadsgezelschap voor de mime, zou deze eenzelfde soort constructie moeten kennen. Van der Schoot: ‘Ergens hoopte ik dat er bij de stadsgezelschappen een plek voor beeldend en fysiek theater zou komen. Een gezelschap met bijvoorbeeld drie huismakers met verschillende stijlen van puur en abstract bewegingstheater tot anekdotisch beeldend theater. Een poule van verschillende makers, die ieder procesmatig werken.’

Zo’n plek staat of valt met de open mentaliteit van de ‘baas’, die zijn makers vertrouwen en vrijheid geeft. De angst dat dat niet gebeurt, is de reden voor kleine groepen zich niet aan te sluiten bij een stadsgezelschap. Van den Berg: ‘Je bent dan snel afhankelijk van een artistiek leider of je loopt als klein groepje het risico te verdwijnen in de omvang van zo’n organisatie. Die grootte maakt dat er weinig mogelijkheden zijn om kleine experimenten uit te voeren en dat de ontwikkeling komt vast te zitten.’ Kuijpers: ‘De kracht van de kleine groepen schuilt in het feit dat ze precies doen wat ze zelf willen. Autonomie is heel bepalend voor die groepen en de manier waarop ze werken. Ze hebben inmiddels in een ander circuit, namelijk dat van de kleine zalen, hun bestaansrecht bewezen.’ Van der Schoot sluit zich daarbij aan: ‘Wat in de kleine zalen gebeurt mag niet verdwijnen. Zij zijn heel belangrijk voor de ontwikkeling van het theater. De grote stadsgezelschappen kunnen dat niet in hun eentje klaarspelen. Het beeld van de grote groepen die de “kleintjes” onder hun hoede nemen, spreekt me absoluut niet aan. De kleinere groepen willen hun autonomie behouden. Op die manier zorgen zij voor een zekere grilligheid in het theaterveld die goed is. Dat kan niet onder de vleugels van een groot gezelschap, omdat je dan altijd rekening moet houden met dat grote instituut. Of erger nog, je daaraan moet conformeren.’

Werkhuis voor de Mime

De mime heeft, zo blijkt, in eerste instantie geen behoefte aan een terugkeer naar een eigen infrastructuur. Toch vormt zij een wezenlijk onderdeel van het huidige theater, wat een eigen productiehuis rechtvaardigt. Afzondering van de discipline zou niet overeenkomen met de werkelijkheid. Wernard Zilver stelt dat de mime als aparte afgescheiden discipline niet meer bestaat. Bovendien zou een eigen infrastructuur ook weer risico’s met zich kunnen meebrengen. Van der Pligt: ‘Als je je gaat isoleren, houd je jezelf ook weer heel klein.’ Maar een productiehuis is wel echt het minimum, meent Van den Berg. ‘Het zou heel zonde zijn als dat ook nog zou verdwijnen. De mime als werkwijze is heel bijzonder. Het is dan ook van belang die te bewaken. Een productiehuis voor de mime fungeert als uitvalsbasis voor groepen en geeft een mogelijkheid de strijd voor erkenning te blijven voeren.’

Die strijd is volgens Van den Berg nog steeds noodzakelijk. Ook de andere mimers signaleren een probleem in de profilering van de mime. Zilver: ‘Vooral schouwburgprogrammeurs en het grote publiek kunnen moeilijk een beeld vormen van wat mime is. In het nieuwe bestel moet daaraan worden getrokken. Daartoe zouden de gezelschappen hun krachten moeten bundelen.’ Van der Schoot: ‘Het aanbod in de theaters verschraalt. Men programmeert steeds meer cabaret en commerciële toneelvoorstellingen, waardoor er voor het meer experimentele aanbod steeds minder ruimte is. Dat vind ik geen goede ontwikkeling. Dat is niet alleen een taak van de programmeurs of van de subsidiënten, maar ook van de mime zelf. Dat moeten we met zijn allen doen.’

Het initiatief daartoe ligt er al. Het plan Werkhuis voor de Mime (werktitel) is geschreven door het Veemtheater in nauwe samenspraak met een aantal groepen en Marie-Anne Rudolphi van Theaterzaken Via Rudolphi, dat een aantal mimemakers zakelijk ondersteunt. Bogers: ‘Het idee is ontstaan vanuit een behoefte om de krachten te bundelen. We zijn met velen bezig op hetzelfde terrein en het zou de profilering, kwaliteit en efficiency ten goede komen als we de handen ineenslaan. Het plan is een huis te creëren met een theaterzaal, studio’s, gastenverblijven en horeca. Nu is de mime een optelsom van groepen. Het Werkhuis voor de Mime biedt de mogelijkheid voor een heroriëntering op de kracht van mime en een sterkere, meer zichtbare positie in te nemen. Het is niet de bedoeling een regulier programmerend theater zoals Bellevue of Frascati op te zetten, het gaat meer om een verlengde van de werkplaats- en ontwikkelfunctie van het Veemtheater, met nieuw werk, verrassende samenwerkingen, instantprojecten en debat. Je moet voelen dat er wordt getimmerd.’

Het Werkhuis voor de Mime zou vele mogelijkheden bieden. Van den Berg: ‘Krachtenbundeling geeft een bredere basis om het mimegevoel te exploiteren. Maar ook om rare feestjes te geven of voorstellingen midden in de nacht te spelen.’ Zilver: ‘Het biedt een plaats aan mimemakers om na de opleiding hun eerste voorstelling te maken, maar ook gevestigde groepen kunnen er een plek vinden. Bovendien kan het publiek kennismaken met de eigen signatuur van de mime binnen het theater.’ Ook Kuijpers ziet hierin een mogelijkheid: ‘Het doel van het werkhuis zou zijn om de communicatie met het publiek te verbeteren, maar ook om verbondenheid te zoeken met theaters om meer fysiek theater te programmeren. Het werkt nu eenmaal beter om dat samen te doen.’

Het plan voor het Werkhuis van de Mime is ingediend bij de gemeente Amsterdam en door de deelnemende partners opgenomen in hun bij OCW en NFPK ingediende structurele aanvragen. De eerste reactie van de Amsterdamse Kunstraad niet positief op het Werkhuis van de Mime, maar wel op de werkplaatsfunctie van hetveemtheater. De Kunstraad adviseert daarom een gelijkblijvende subsidie voor hetveemtheater.

Het wachten is begonnen. Over het voortbestaan van de mime maakt men zich niet direct zorgen. Van der Pligt: ‘Het is niet voor niets dat de mime nog steeds bestaat. En groeit.’ Spannend is wel hoe de kleine en experimentele makers in de praktijk een positie in het veld kunnen behouden en zullen doorstromen. Van der Pligt: ‘Ik ben erg benieuwd of er stadsgezelschappen komen die jonge regisseurs die fysieke, beeldende voorstellingen maken een kans geven hun werk verder te ontwikkelen.’ In de woorden van Bogers: ‘Als het stof is neergedaald zullen we zien wat onze inspanningen hebben opgeleverd en wat niet.’