De mime laat zijn tanden zien (terugblik 2011-2012)

eerder verschenen in TM, september 2012

Wat waren ze aandoenlijk. De personages die de voorstellingen van mimegroepen als Carver, Bambie, Kassys en Golden Palace bevolkten ontroerden ons en maakten ons aan het lachen met hun geworstel en gestuntel. Of het nu ging om het omstandig eten van een gevulde koek, een dromerige reis door een keuken of het inrichten van een troosteloze feestwinkel, hun pogingen om grip te krijgen op het alledaagse leven waren herkenbaar en hartverwarmend. Maar de schattigheid in de mime is voorbij.In de voorgaande decennia had de mime zich ontwikkeld tot een veelzijdige en multidisciplinaire discipline. Vanuit de mime corporel van Etienne Decroux maakte de Nederlandse mime zich in de jaren zestig en zeventig van het vorige millennium los van de letterlijkheid van de pantomime en de psychologische tekstualiteit van het repertoiretoneel. Door de jaren heen ontstond een vorm van theater die zich door de eigenheid van de makers en de veelzijdigheid van de discipline moeilijk liet definiëren. Maar binnen de mime tekende zich een stroming af van associatieve montagevoorstellingen, met fysieke beeldtaal, gebaseerd op improvisaties rondom een thema.

In die fysieke beeldtaal van groepen als bijvoorbeeld Carver en Bambie werden door middel van kleine, alledaagse handelingen personages gepresenteerd die in hun stuntelige en oprechte pogingen even grappig als ontroerend waren. Zoals de man in Bambie 10 (2005) die in de kleine ruimte van de voetbalkantine blijft rennen en als een vlieg die naar buiten wil steeds tegen de muren en de ramen op knalt.

Bambie en Bimbo
Met Bambie F-16: een achtervolgingsballet voor wereldleiders (2012) bracht Bambie een voor haar doen uitgesproken zwart randje aan een voorstelling aan. In een levensgrote poppenkast knuppelen dictator na dictator, machthebber na machthebber en wereldleider na wereldleider elkaar van het toneel. In een slapstickachtige parade vallen gevangenen met een juten zak over hun hoofd in een gat. Megafoons ruisen en kraken steeds harder tot het oorverdovend is. Een dictator spreekt zelf revolutionaire leuzen in de megafoons en geeft die in handen van de oppositie, die hij vervolgens een voor een doodschiet.

Nog niet eerder was Bambie zo uitgesproken geëngageerd in haar werk. In Bambie 8 zagen we drie mannen in een keuken die elkaar hielpen te
transformeren tot hun gedroomde Klaus Kinski-personages. In Bambie 10 zagen we mannen in een voetbalkantine die soms wel een grote bek konden opzetten, maar eigenlijk ook jongens waren die bang waren om naar buiten te gaan. In Bambie 14 ging het weliswaar over moord uit liefde, maar dan wel door twee mannen die misschien gewoon ‘iets te hard hadden geknepen’. Bambie 15 richtte zich op het mechanisme
van stelen en het zich toe-eigenen van bezit. In die thematiek was al sprake van minder zachtmoedigheid, maar in de uitwerking van Bambie 15 gebeurde dat niet scherp genoeg en bleef het vooral een aaneenschakeling van kolderiek gesleep met voorwerpen.

Uiteraard blijft Bambie Bambie. Dus ook in Bambie F-16 zitten veel grappige scènes en slapstickachtige momenten, zoals we van de groep gewend zijn. Met geestige precisie brengen de vier spelers (Jochem Stavenuiter, Paul van der Laan, Martin Hofstra en Thijs Bloothoofd) het mechanisme van corrupte machtswisselingen in beeld. Daar ligt hun kracht en tegelijkertijd is het een valkuil, omdat het de scherpe kantjes van de thematiek kan halen.

Ook Theatergroep Boogaerdt/VanderSchoot is de afgelopen jaren steeds uitgesprokener voorstellingen gaan maken. Waren eerdere voorstellingen van het duo Suzan Boogaerdt en Bianca van der Schoot vooral gebaseerd op improvisaties rond een thema, zoals Kerstpakket (2004) en Rok (2006), voor latere voorstellingen lieten de twee makers zich inspireren door repertoireteksten, zoals 3 zussen (2008), Martha loves George (2009) en Ponyclub, geen Trojaanse vrouwen (2010). Voor deze laatste voorstelling, losjes gebaseerd op het gelijknamige stuk van Euripides, werd vijf vrouwelijke opiniemakers gevraagd om ter inspiratie pamfletten te schrijven over de rol van de vrouw in de hedendaagse wereld.

Met Bimbo (2011) zetten Boogaerdt en Van der Schoot nog een tandje bij. In een indrukwekkende performance overspoelt een onafgebroken keten van pornografische beelden het publiek. Vijf vrouwen gooien hun lichaam in de strijd om op indringende wijze voelbaar te maken hoe verontrustend afstompend de alomtegenwoordigheid van al die seksuele uitingen is. De toeschouwers zitten van het speelvlak afgekeerd en zien via televisieschermen wat zich achter hun rug afspeelt. In de vierkante ruimte achter de toeschouwers poseren Bianca van der Schoot, Suzan Boogaerdt, Floor van Leeuwen, Marie Groothof en Erika Cederqvist in allerlei kittige outfits met glitters en veren en lingerie in alle kleuren van de regenboog voor een camera die rechtstreeks is verbonden met de televisies.

De duur van de performance, de anonimiteit van de spelers en de tot een gigantische loop opgerekte dubbelzinnige muziek beuken de toeschouwer murw. Bovendien worden de vier spelers, door het opplakken van snorren en het dragen van maskers, steeds anoniemer. Je herkent niet meer wie op de synthetiserende beeldschermen met heupen, borsten en billen staat te draaien. Daardoor ben je in staat je af te sluiten voor de beelden, het is verbijsterend hoe snel je afgestompt raakt en niet meer ziet (of wilt zien) wat je eigenlijk krijgt voorgeschoteld. Bimbo werd dan ook terecht genomineerd voor de VSCD Mimeprijs en bovendien geselecteerd voor het Nederlands én het Vlaams Theater Festival.

Meedogenloos
In een stikdonkere container zet theatermaker Menno Vroon zijn toeschouwers – eentje per voorstelling – in een comfortabele fauteuil voor de opvoering van Tocht, vorige zomer te zien op Festival Over het IJ. Je voelt zand aan je voeten, maar verder heb je geen idee in wat voor ruimte je je bevindt. Langzaam wordt de ruimte flauw verlicht en zie je een man staan. De man loopt naar je toe, valt, staat op, loopt verder, valt weer. Tot hij vlak voor je neus staat. Plots springt het licht aan en komt de man (performer Fabian Santarciel de la Quintana) bij je op de armleuning zitten. Hij knoopt een informeel gesprekje aan, vraagt of het goed met je gaat en eindigt met de vraag of je voor hem wilt zorgen. Natuurlijk zeg je ja. Maar als Santarciel de la Quintana vervolgens zijn performance opnieuw oppakt, herhaaldelijk in het zand valt, zijn mond vol stopt met zand, kermend van de pijn op de grond rolt, word je genadeloos geconfronteerd met het onvermogen te handelen. Je zou makkelijk kunnen opstaan, het zand van zijn gezicht kunnen vegen en zijn hand vasthouden. Maar durf je dat dan ook op dat moment? Is wegkijken niet makkelijker dan ingrijpen? Wat doe je als je niet kunt wegkijken, omdat het op één meter voor je voeten gebeurt? Laat je je wel of niet weerhouden door het gegeven dat het een theatervoorstelling is? Welke waarde heeft de belofte tot zorgen voor iemand dan nog? Na afloop brengt Vroon je naar een stoel op de helling van de NDSM-werf waar je uitkijkt over het IJ, de stad en de wereld. Een klein cadeautje.

Net zo genadeloos als Tocht was de nieuwe voorstelling Schwalbe speelt vals van spelerscollectief Schwalbe. Tot nu toe waren zijn  voorstellingsconcepten vooral meedogenloos voor de spelers zelf. We zagen hen al dansen tot ze erbij neervielen en als gekken fietsen om licht te laten branden; tweemaal zetten ze zo de uitputting in als theatraal gegeven. Dat gegeven kent echter zijn grenzen. Er zit weinig ontwikkeling in en de fascinatie van de kijker berust enkel op de uitputtingsslag.

Schwalbe speelt vals begint als een leuk spelletje. Er worden teams gekozen en bij elk punt dat wordt gescoord ga je als toeschouwer mee in dat plezier. Maar het spel verhardt als de punten worden gescoord door het afpakken van een kledingstuk van de tegenstander. Wie tot op zijn ondergoed is uitgekleed is af. De spelers van Schwalbe gaan heel ver in het spel. Ze worden tegen de grond gewerkt of gaan met zijn allen tegen één. Een worsteling lijkt verontrustend veel op een verkrachting en de ene man vernedert de ander door hem in het gezicht te spugen en ook zijn onderbroek kapot te trekken. Doordat de spelers in Schwalbe speelt vals nu ook meedogenloos naar elkaar zijn krijgt de voorstelling meer dan de eerdere voorstellingen betekenis op intermenselijk niveau. Het spel toont vernedering, geweld en fanatisme. De spelers kennen geen genade en dat laat je als toeschouwer niet koud.

Scheldpartij
De vernedering komt ook terug in Crash Course Chit Chat van Sanja Mitrovic. In deze voorstelling zet Mitrovic vijf spelers uit vijf Europese landen (Nederland, Groot-Brittannië, Frankrijk, België en Duitsland) bij elkaar. Iedere speler heeft een kist met voorwerpen die herinneringen uit zijn eigen land vertegenwoordigen. Al snel worden de Belgische biertjes, de platen van Jacques Brel en het complete werk van William Shakespeare bij elkaar gezet. De spelers delen verhalen uit hun jeugd, over een opa die als ingenieur onder Hitler werkte aan een raket of over een oma die een kind kreeg van een Duitser. Onderlinge vooroordelen passeren op geestige wijze de revue, maar gaandeweg loopt het uit de hand. De Brit wordt uitgedaagd zijn correctheid te laten varen. De gigantische scheldpartij tegen alles en iedereen die daarop volgt zet de onderlinge verhoudingen op scherp. Er is net te veel gezegd wat niet meer kan worden teruggenomen. De Duitse speelster vraagt wat ze moet doen om niet meer te hoeven uitleggen dat ze geen nazi is. Het antwoord is dat ze naakt rondjes moet rennen en moet roepen: ‘Ik ben een nazi-hoer.’ Een pesterijtje dat uitmondt in een vernedering die niet meer is goed te maken.

Soms wil je je oren dicht drukken, je ogen sluiten of weglopen. Soms word je door elkaar geschud en ga je
vol verwarring naar huis. De mime is niet meer lief. En dat is goed.