De spelende mime (terugblik 2012-2013)

eerder verschenen in Theatermaker, september 2013

Zestig. Negenenvijftig. Achtenvijftig. Zevenenvijftig. Op het achterdoek telt een geprojecteerde klok zestig seconden af. Het is steeds de laatste minuut van een van de vier delen waaruit de voorstelling Cadavre exquis bestaat. De vier regisseurs kregen als opdracht dat zij een deel te maken gebaseerd op de laatste minuut van het voorgaande deel. Liesbeth Gritter (Kassys), Pavol Liška en Kelly Copper (Nature Theatre of Oklahoma, VS), Tim Crouch (Groot-Brittannië) en Nicole Beutler committeerden zich aan deze basisregel. Elk deel kreeg daardoor zijn eigen vorm en kleur, met steeds dezelfde vier spelers die van de ene stijl naar de andere werden geslingerd. Van vertraagd meepraten met dialogen op een iPod tot een liedje over dromen. Van allerlei kledingwisselingen tot gedachten over theater en spelen. Van het ophangen van gezellige lampjes aan het eind van deel drie tot het weghalen van gezellige lampjes aan het begin van deel vier.

In die veelvormigheid maak je als toeschouwer dezelfde gang als de spelers. Door het zien van de teller wordt het publiek deelgenoot van de regel. Uiteindelijk is dat ook de kracht van Cadavre exquis: een gevoel van saamhorigheid tussen publiek, spelers en makers die allemaal zijn onderworpen aan die ene regel. Als de vier spelers (Esther Snelder, Hannah Ringham, Jarid Rychtarik en Bas van Rijnsoever) in het laatste deel het theater via de artiesteningang verlaten, heb je het gevoel samen een hele reis te hebben afgelegd.

Terugkijkend op het werk van de mimemakers van het afgelopen seizoen valt op dat bij verschillende producties een set ‘spelregels’ het kader van de voorstelling vormde. Deze regels werden expliciet gedeeld met het publiek, dat daardoor ook op de hoogte was van de geldende wetten. Makers en spelers committeerden zich zonder voorbehoud aan die regels. Behalve Cadavre exquis waren dat bijvoorbeeld ook Countdown van Melih Gençboyaci, Christina Flick, Kimmy Ligtvoet, Ilyas Odman en Ata Güner en Holiday in Guantanamo Bay van MTG Blont op de Mimeopleiding.

Van kijkregels naar spelregels

Nu heeft elke voorstelling zo zijn spelregels, onder theaterwetenschappers ook wel bekend onder de semiotische term ‘theatrale code’. De semiotiek heeft betrekking op de relatie tussen teken en betekenis. De kroon staat symbool voor de macht, de drager van de kroon voor de machthebber. Zeker in het theater kan die betekenis flexibel en meerduidig zijn. Een tafel kan een tafel zijn, maar ook een berg of een tunnel. Alle tekens van een voorstelling samen vormen de code. Het is een systeem of een set regels die het gebruik van tekens controleert zodat ze begrepen kunnen worden, schrijft Christopher Balme in The Cambridge introduction to theatre studies. Dus om een voorstelling te begrijpen, moeten we bekend zijn met de code(s) die worden gebruikt.

Vandaar ook de ijzeren dramaturgenwet die mij altijd is bijgebleven: in de eerste tien tot vijftien minuten van een voorstelling moet de code worden geïnstalleerd. Wordt er gesproken, gedanst, gezongen in de voorstelling? Of alledrie? Volgen we een verhaal of gaat het om een associatieve montage? Is er sprake van een vierde wand? Kortom, wat zijn de regels voor het kijken naar de voorstelling? Het installeren van de theatrale code is als de stilistische variant van de expositie. Terwijl de expositie de anekdotische informatie geeft die een toeschouwer nodig heeft om het verhaal te volgen, geeft de theatrale code je de kijkregels die je nodig hebt om de voorstelling te volgen.

De regels van het spel

Regel één: don’t pretend. Regel 2: the attempts (is all that) matters. Regel 3: the audience is an associate in the attempt. In maart werkte MTG Blont (Bas van Rijnsoever en Floor van Leeuwen) vier weken met studenten van de Mimeopleiding op basis van deze drie regels. Tijdens de eindpresentatie Holiday in Guantanamo Bay staan deze regels ook groot op de muur. Het is een rake performance-voorstelling vol pogingen: het aansteken van een sigaret zonder handen, het lostrekken van elastiek met het lijf, het zo lang mogelijk omhoog houden van een zware ijzeren balk, het gezicht insmeren met appelstroop en rode ui. Ondertussen wordt het publiek steeds meer medeplichtig gemaakt aan de voorstelling. Van het aanbieden van een trui en het redden van een goudvis tot uiteindelijk het klaarzetten van hapjes en drankjes voor de borrel.

En dan Countdown van Gençboyaci, Flick, Ligtvoet en Odman bij Productiehuis Rotterdam. Aan het begin staan de vier spelers achter vier microfoons. Een wagentje komt oprijden met daarop een teller. Ligtvoet zet de teller aan en het aftellen vanaf een uur begint. En daarmee ook het spel. In dat uur doen de spelers bekentenissen over zichzelf en over de anderen. Soms onschuldig, soms herkenbaar, soms pijnlijk, soms gemeen, soms grappig. Van de neurotische neiging om beleg van broodjes af te halen en opnieuw, in de juiste volgorde, te beleggen tot aan gewelddadige fantasieën, van seksuele escapades tot geld stelen van je moeder om drugs te kopen. Die bekentenissen, aangevuld met een aantal poëtische beelden, resulteren in een treffende performance. Aan het eind van het uur is het viertal uit elkaar gevallen. Verspreid over de speelvloer is ieder gevangen in zijn eigen beeld. Schijnbaar heeft die eerlijkheid voor een loutering gezorgd, maar ook voor een verwijdering. Er is ook iets kapot gegaan.

In de drie beschreven voorstellingen worden de spelregels expliciet gedeeld met het publiek. We zien de aftellende klok in beeld en de regels op de muur. Dat maakt dat deze regels een ander belang krijgen dan de regels die in elke theatrale code zijn vervat. In het geval van Holiday in Guantanamo Bay vormen drie ogenschijnlijk simpele regels de basisdramaturgie van de voorstelling. Ze fungeren als manifest van de makers en tegelijkertijd als houvast voor de toeschouwer. Een rigide kader waarbinnen vrijheid ontstaat en ruis verdwijnt. Bij Countdown zorgt de teller vooral voor een zekere urgentie. De tijdsdruk roept een gevoel op van ‘nu of nooit’. In beide gevallen wordt de toeschouwer deelgenoot van het spel. Niet door mee te doen, maar door ingevoerd te zijn in de spelregels.

Homo Ludens

Schrijven over spelregels betekent Huizinga’s Homo ludens erop naslaan. In deze publicatie uit 1939 gaat hij in op het belang van het spel(element) in cultuur en samenleving. ‘Ieder spel heeft zijn regels, zij bepalen, wat er binnen de tijdelijke wereld die het heeft afgebakend gelden zal. (…) Binnen de speelruimte heerst een eigen en volstrekte orde.’ Eenieder heeft zich aan die regels te houden. In dat geval ‘verwezenlijkt het in de onvolmaakte wereld en het verwarde leven een tijdelijke, beperkte volmaaktheid’.

Voor Umberto Eco geldt dat spel meer is dan een ‘tijdelijke, beperkte volmaaktheid’. Hij schrijft over spel als een ‘moment van sociaal welzijn, het moment van grootste functionaliteit, waarin de samenleving, om het zo maar eens uit te drukken, even de motor vrij laat lopen om de bougies te reinigen, verzuipen te voorkomen, de cilinders warm te laten worden, de olie te laten circuleren en alles even te controleren. Het spel is dus het moment van de grootste en meest verantwoordelijke ernst’.

Ook voor de besproken theatermakers hebben de spelregels een belangrijke functie. In een artikel in Theatermaker van juni 2013 schreef Simon van den Berg over het relatief nieuwe fenomeen ‘speltheater’, waarin toeschouwers medespelers worden in een theatraal gezelschapsspel. In voorstellingen als Like me van Judith Hofland en Stranger van Emke Idema ‘… wordt het publiek verleid tot actieve participatie; er is veel aandacht voor het toelichten van de regels; en het belangrijkst: de toeschouwer wordt verantwoordelijk gemaakt voor het welslagen van de uitvoering.’ Van den Berg geeft in dat artikel ook aan dat deze makers via het spel dat zij spelen een reflectie bieden op de samenleving. Deze voorstellingen zijn meer dan een gezellig tijdverdrijf, maar gaan over de rekbaarheid van regels, over grenzen of over vooroordelen.

Vorm versus inhoud

In het geval van Countdown, Cadavre exquis en Holiday in Guantanamo Bay is iets anders aan de hand. De regels hebben hier eerder betrekking op de vorm. In Countdown zorgt de spelregel voor een tijdsdruk, waardoor de inhoud (het losmaken van bekentenissen) een zekere opbouw en urgentie krijgt. In Cadavre exquis is de spelregel vooral een metatheatrale uitdaging, maar geeft ze niet direct een inhoudelijke verdieping. Het expliciet delen van de regel met het publiek zorgt voor een kader en roept saamhorigheid op. Bij Holiday in Guantanamo Bay krijgen de spelregels wel degelijk een inhoudelijke component. Door het publiek steeds nadrukkelijker een ‘associate in the attempt’ te laten zijn, wordt de toeschouwer niet alleen deelgenoot maar ook participant.

Op momenten dat vorm en inhoud elkaar op die manier ontmoeten, dus als spelregels niet alleen ‘teken’ zijn maar ook betekenis krijgen, ontstaan er spannende en gelaagde mogelijkheden. Vorig seizoen lieten Schwalbe speelt vals van spelerscollectief Schwalbe en Crash course chit chat van Sanja Mitrovic, waarin leuke spelletjes volkomen uit de hand lopen, daarvan ook al mooie voorbeelden zien. En hoewel bij de drie hier besproken voorstellingen de spelregels vooral als dramaturgisch kader functioneren en in mindere mate een vertaalslag maken naar de inhoud blijft het fascinerend hoe ook in de mime continu met de spelregels zelf wordt gespeeld.