Dordrecht omarmt beeldend theater

(eerder verschenen in TM, juni 2008)

Als het aan de gemeente Dordrecht ligt, wordt deze stad the place to be voor beeldend theater in Nederland. Gesteund door de aanwezigheid van het Internationaal Poppentheaterfestival, dat deze maand zijn 23e editie beleeft, is de Dordtse ambitie onstuitbaar. Zo wordt het Theater Instituut Nederland in staat gesteld zijn beeldend theatercollectie onder te brengen in het speciaal daarvoor op te richten Museum van de Verbeelding en wordt Lotte van den Berg met open armen ontvangen om zich met haar nieuwe gezelschap DORDT in de stad te vestigen.

Voor wie Amsterdam als het centrum van de theaterwereld beschouwt, ligt Dordrecht op het randje van de platte schijf die Randstad heet. Het voelt als de laatste halte voor je over de horizon van de wereld af vaart. Voor deze mensen is het verbijsterend dat iemand overweegt om zich ten zuiden van Rotterdam te begeven. Anderen, onder wie Lotte van den Berg, vinden het echter heerlijk te werken in een stad waar nog ruimte en mogelijkheden zijn. 

‘Het begon bij de politiek. Dat is heel bijzonder,’ vertelt cultuurmakelaar Han Bakker. Hij is door de gemeente gevraagd om als cultureel intendant te onderzoeken waar de artistieke mogelijkheden van de stad liggen en op cultureel gebied initiatieven te ontplooien. In een vier maanden durende verkenning van de stad sprak Bakker met de bewoners uit verschillende wijken over hun behoeften, verlangens en dromen. Hij leerde Dordrecht kennen als een ‘authentieke, geweldige stad’ waarin verschillende bevolkingsgroepen dicht bij elkaar leven, waar een rijk historisch en religieus erfgoed is te vinden en waar altijd met de weerbarstigheid van het water moet worden geleefd. Hij stelde een aantal culturele projecten voor waarin de gemeente zou moeten investeren en zo ging het balletje rollen. Gerard Cornelisse, de grote stimulator achter ISH, ging aan het werk in de ‘moeilijke buurten’ en in samenwerking met het Internationaal Museum voor de Reformatie in Genève wordt volgend jaar een grote tentoonstelling over Calvijn georganiseerd.

Wat betreft theater heeft Dordrecht besloten zich te profileren als centrum van het beeldend, poppen- en objecttheater in Nederland. Met het Internationaal Poppentheaterfestival Dordrecht als constante factor wordt dit profiel aangevuld met de komst van Lotte van den Berg, de programmering van Schouwburg Kunstmin, het zomertheaterfestival BIES en het neerstrijken van de beeldend theatercollectie van het Theater Instituut Nederland. Dordrecht roert zich, zo veel is duidelijk. Maar waarom?

Politieke ambitie

Dordrecht besloot bij de vorming van het vorige college van B&W aanzienlijk te investeren in kunst en cultuur. De aanwezigheid daarvan wordt in de nota Dordrecht 2020 geformuleerd als ‘een belangrijke factor voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor zowel nieuwe bewoners als ondernemers’. Wethouder van Cultuur, Jan Lagendijk, licht toe: ‘Cultuur is een goede manier om een stad op de kaart te zetten. Dordrecht is kleinschalig en intiem. Die intimiteit combineren wij met innovatie. Als je je richt op innovatie, op het gebied van technologie, digitalisering, maar ook op het gebied van cultuur, dan móet je talent koesteren.’ Bij het uitdokteren van de mogelijkheden op cultureel gebied, koos de gemeente expliciet voor een scherp profiel in plaats van een breed profiel. Lagendijk: ‘We hadden kunnen kijken naar wat wij zelf “leuk” vinden, maar zo werkt het niet. Deze profilering sluit aan bij wat al in Dordrecht aanwezig was, namelijk een internationaal poppentheaterfestival. De gemeente kan dat nu verder ontwikkelen en ondersteunen om het centrum te worden voor beeldend theater in Nederland.’

Het Internationaal Poppentheaterfestival Dordrecht wordt nu 23 jaar achtereen georganiseerd door Damiët van Dalsum. Op het programma staan beeldende poppen- en objecttheatervoorstellingen uit Duitsland, Spanje, Zwitserland, Frankrijk, Rusland en Polen. De ambitie van het festival is, net als die van de gemeente, groot. Het wil doorgroeien naar een breed (inter)nationaal vakfestival voor beeldend theater en deed een aanvraag voor de basisinfrastructuur. In Innoveren, participeren! schaart de Raad voor Cultuur vakfestivals weliswaar onder het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten, maar pleit hij ook voor drie vakfestivals in de basisinfrastructuur als platform voor exclusief internationaal aanbod en uitwisseling. Ook in zijn nota Kunst van leven ziet de minister van Cultuur een positie in de basisinfrastructuur voor dergelijke festivals. Hoewel het Internationaal Poppentheaterfestival op het eerste oog aan de gestelde criteria lijkt te voldoen, heeft OCW de aanvraag doorgestuurd naar het superfonds. Dat het poppen- en objecttheater door de Raad voor Cultuur als zelfstandige discipline wordt aangemerkt, wil immers nog niet zeggen dat men erkenning en de daarbij horende financiële middelen krijgt. Dat blijkt maar weer uit het advies over het Museum van de Verbeelding van de Raad voor Cultuur. De Raad schrijft dat hij ‘erkent dat het poppentheater een belangwekkende geschiedenis heeft en de poppencollectie van het TIN kwetsbaar cultureel erfgoed is dat het verdient om tentoongesteld te worden.’ Toch brengt de Raad een negatief advies uit over het museum, onder andere omdat een museaal concept gemist wordt. Geen geld dus.

Daar weet Dogtroep alles van. Na 33 jaar besloot de groep dit jaar te stoppen. Bij de vorige subsidieronde kreeg het gezelschap een behoorlijke financiële tik. Een van de redenen was dat Dogtroep in staat zou zijn zelf voldoende geld uit de markt te halen, waardoor het geen subsidie meer nodig zou hebben. Volgens Bart Kusters, nu nog zakelijk leider van Dogtroep en vanaf 2009 van DORDT, het nieuwe gezelschap van Lotte van den Berg, is dat een grote misvatting die mede wordt veroorzaakt door de ondervertegenwoordiging van beeldend locatietheater in de besluitvorming over subsidie. ‘Bovendien,’ vertelt Kusters, ‘is het idee om op een locatie neer te strijken en de voorstelling daar te maken een kostbare manier van werken. Je hebt moedige partners nodig die bereid zijn mee te gaan in dat risico. Die zijn steeds moeilijker te vinden.’

Ironisch genoeg gaf het stoppen van Dogtroep mede een nieuwe impuls aan de ontwikkeling van de theatersector in Dordrecht. Kusters: ‘Op het moment dat we tot deze conclusie werden gedreven, kwam in Dordrecht ontzettend veel energie vrij.’ Naast het plannen van twee afscheidsvoorstellingen en het samenstellen van een publicatie, zocht Dogtroep ook naar een manier om het opgebouwde erfgoed over te dragen. Dit viel samen met de wens van de gemeente om een producerend gezelschap in de stad te hebben en de zoektocht van Han Bakker naar een artistiek leider daarvoor. Een en een werd twee en Lotte van den Berg werd gebeld. Zij twijfelde niet. Het aanbod van Bakker, namens de gemeente, om een eigen gezelschap op te richten was zo genereus dat ze vrijwel direct besloot het aan te nemen. Vanaf 2009 vestigt zij zich met DORDT op het terrein van een oude energiecentrale die onder de naam Energiehuis wordt ontwikkeld tot een verzamelplek van podiumkunsten. Hier krijgt Van den Berg alle ruimte naar eigen inzicht voorstellingen (op locatie) te maken en kunstenaars om zich heen te verzamelen. Het Energiehuis wordt, in de visie van de culturele roergangers, een plek in de stad waar, net als in De Verkadefabriek in Den Bosch, produceren en programmeren samenkomen. Op deze manier krijgt Schouwburg Kunstmin er een middenzaal bij.  

Van Dogtroep gaat een aantal mensen bij DORDT aan de slag. Zij nemen hun ervaring en netwerk mee en een deel van het materiaal uit de werkplaats. Maar nog belangrijker is voor Kusters dat er een plek voor beeldend theater blijft. ‘Dogtroep heeft een plek veroverd voor het beeldend theater. Ik denk dat het symbolisch doorgeven van het stokje aan Lotte van den Berg ertoe bijdraagt dat die plek behouden blijft. Het is voor veel partijen niet evident dat beeldend theater  kwetsbaar is en gesteund moet worden.’

Maarten Verhoef, nog niet zo lang geleden aangetreden als directeur van Schouwburg Kunstmin, vindt dit een voorbeeld van ‘hoe het eigenlijk zou moeten’. ‘Om de vier jaar gaat er veel expertise verloren. Nieuwe clubjes komen op en de voorgaande generatie moet weer afstand nemen. Natuurlijk is het gezond dat er doorstroming is en een nieuwe generatie kansen krijgt. Maar vaak wordt het kind met het badwater weggegooid. Het overnemen van de boedel van Dogtroep door Lotte van den Berg geeft een nieuwe generatie mogelijkheden zonder dat zij het wiel opnieuw hoeft uit te vinden. Sterker nog, Van den Berg krijgt de kans om gebruik te maken van het netwerk en de ervaring die al aanwezig is.’

Schuurvlakken

Lotte van den Berg heeft veel zin om te beginnen. ‘Ik wil op verschillende plekken in de stad werken. Ik vind het fijn om beeldend en op locatie te werken. In mijn werk toon ik beelden uit het alledaagse leven. Het werken op locatie komt voort uit een verlangen om te ontmoeten, om mensen tegemoet te gaan, om buiten de muren van een instituut te treden, om te werken op plekken die ik nog niet ken. Die werkwijze inspireert mij enorm. Mijn materiaal is niet de tekst, de boodschap of een gedachte. Dat zijn de mensen en de plekken. Daar zit mijn inspiratie en dus moet ik steeds op zoek naar plekken die mij inspireren.’

Van den Berg is geboren in een dorp in de buurt van Dordrecht en woont inmiddels weer in de omgeving van de stad. Als ze uit haar raam kijkt, ziet ze de rivier die ook door Dordrecht stroomt. ‘Ik heb veel met de streek; de weilanden, de natuur, de rivier. Maar ik wil dat kunnen combineren met de energie en de grote culturele verschillen van een grote stad. In Dordrecht wonen veel verschillende groepen mensen dicht bij elkaar. De schaal van de stad maakt dat die verscheidenheid te overzien is. Er valt daar veel te vertellen over de Nederlandse cultuur.’ Bart Kusters beaamt dat. ‘Alles wat in grootstedelijk Nederland aan de hand is, speelt ook in Dordrecht. Al die schuurvlakken tussen bevolkingsgroepen zijn voelbaar en zichtbaar. Het is een spannende plek.’

Wat Dordrecht nog meer een aantrekkelijke plek maakt om te werken is de ruimte. Maarten Verhoef, die voor hij naar Dordrecht kwam artistiek leider was van productiehuis Huis van Bourgondië in Maastricht, vindt dat heerlijk. ‘Er is een mentaliteit van niet lullen maar poetsen. Je bent niet eindeloos bezig met aanvragen en dossiers, je krijgt hier dingen snel voor elkaar.’ Han Bakker: ‘Dat hangt natuurlijk, los van de makers, ook af van de ambtenaren en of die “het” snappen. Dordrecht heeft een aantal visionaire ambtenaren die er ook vol induiken.’ 

De ruimte en de mentaliteit maken dat Dordrecht voor de genoemde mensen aantrekkelijker is om te werken dan bijvoorbeeld Amsterdam. Van den Berg: ‘Nederland is groter dan alleen Amsterdam. Als uit Amsterdam hetzelfde aanbod was gekomen, had ik het waarschijnlijk niet aangenomen. Daar gebeurt zo veel dat die stad vol zit. Amsterdam is soms net een verwend kind. Dordrecht is een onontgonnen gebied, dat spreekt me aan.’ Verhoef: ‘Men komt er steeds meer achter dat Amsterdam dicht zit en dat je je, zeker als jonge maker, in de provincie perfect kunt ontwikkelen. Noem Dordrecht het Haarlem van Rotterdam. Hier kun je je in alle rust van een periferie ontwikkelen.’ Verhoef ziet daar voor Schouwburg Kunstmin zeker een rol in, zowel in het (co)produceren als het programmeren buiten het gebouw van de schouwburg. ‘Als je een stadsbestuur hebt dat, op het spoor gezet door iemand als Han Bakker, de plannen omarmt, dan liggen er veel kansen voor jonge makers om op een plek à la de Toneelschuur kilometers te maken.’ Bovendien vindt in september de tweede editie plaats van festival BIES. Dit is een zomerfestival in de Hollandse Biesbosch waar, in de geest van Oerol, podiumkunstenaars zich laten inspireren door het unieke landschap.

Plannen en ambities te over, maar zo eenvoudig kan realisering ervan toch niet zijn? Volgens Kusters gaat het werken in Dordrecht ‘behoorlijk makkelijk’. Dogtroep had bijvoorbeeld een klein voorstellinkje ter afscheid voor ogen, maar in no-time groeide dat met steun van de gemeente en Kunstmin uit tot een volwaardige voorstelling in de Montan Staalfabriek. Bakker: ‘We bevinden ons in de gelukkige omstandigheid dat op het juiste moment de juiste mensen bij elkaar kwamen. En er is een gemeente die graag wil en die de kracht van cultuur inziet. Op zo’n moment kun je de verschillende energiestromen gaan bundelen.’ Verhoef: ‘Het voelt als een prille lente. Het is berespannend om daarvan deel uit te maken.’