Een duik in het London International Mime Festival

 

Het is altijd leuk als een landgenoot wordt bejubeld in het buitenland. Toegegeven, Jakop Ahlbom is een geboren Zweed, maar wat theateropleiding betreft is hij een getogen Nederlander. Zijn voorstelling Lebensraum stond begin dit jaar op het programma van het London International Mime Festival. Recensenten van The Observer, The Guardian en The Evening Standard gaven drie tot vier sterren, loofden de precisie van de uitgevoerde slapstick en de balans tussen humor en verontrusting. Ook de prestaties van de acteurs, met name die van Silke Hundertmark, werden opgemerkt. Allemaal volkomen terecht natuurlijk, glim ik met (on)gepaste trots bij het lezen van de recensies en reacties.

Maar er valt nog iets op aan de verschenen artikelen. Bijna alle Engelse recensenten duiken dieper in de achterliggende thema’s dan de Nederlandse critici deden ten tijde van de première in 2012. In de Britse recensies vallen termen als identiteit, ‘male domination’, nazi-Duitsland, Frankenstein en genderpolitiek. En dat is misschien wel tekenend voor een festival waarin de voorstellingen zo’n samenspel tussen vorm en inhoud aangaan dat die inderdaad niet in één te benoemen laag te vangen zijn.

Het London International Mime Festival (LIMF) is een jaarlijks terugkerend festival gericht op hedendaags visueel theater. Gedurende een dikke drie weken zijn voorstellingen uit Frankrijk, Groot-Brittannië, Tsjechië en Spanje te zien in verschillende theaters in de stad. Van de studio van de theaterschool tot de kleine zaal van het prestigieuze Royal Opera House. De artistieke leiding is in handen van Joseph Seelig en Helen Lannaghan.

Het openingsweekend staat, behalve de voorstelling van Ahlbom, in het teken van de Fransen. Van Phia Ménard (Compagnie Non Nova) zijn twee korte voorstellingen te zien: Vortex en L’après-midi d’un foehn. Mathurin Bolze (Compagnie MPTA) presenteert A bas bruit.

Zakjes

Stel je voor: de Amsterdamse Hogeschool van de Kunsten vestigt zich aan de NDSM-werf. In een gebouw met rode bakstenen en grote ramen in strak vormgegeven kozijnen is ruimte gemaakt voor ateliers en studio’s. Studenten lopen in en uit in deze creatieve hotspot in een voorheen industrieel gebied. En er is een goed uitgeruste theaterzaal. Dan zou je iets hebben als het Platform Theatre, een van de locaties van het LIMF. De koffie is er niet te drinken maar het bier is goedkoop, de wifi is gratis en er hangt een aangename, creatieve sfeer. Hier zijn de twee voorstellingen van de Franse Phia Ménard te zien, beide startend vanuit hetzelfde uitgangspunt.

Het publiek zit rondom een cirkelvormig speelvlak dat omgeven is door ventilatoren. De performer zit in het midden. In L’après-midi d’un foehn (een foehn is in het Frans een föhn-wind) is dat een jonge vrouw, gekleed als boeddhistisch monnik. Ze knipt en plakt een klein menselijk figuur uit een plastic zakje. De ventilatoren gaan aan en de luchtstromen blazen leven in het plastic figuur. Het beweegt, vult zich met lucht, vliegt en danst. Gaandeweg voegt de speler meer en meer zakjes toe. Er ontstaat een verbazingwekkende choreografie in steeds wisselende theatrale beelden, waarbij de performer als ‘spiritueel wezen’ de plastic zakjes leven geeft, neemt, beschermt en straft.

Van de twee voorstellingen van Ménard maakt met name Vortex indruk. De centrale persoon in deze arena is een dikke man in een grijs pak. Wat begint met het rondblazen van de plastic mensjes ontwikkelt zich naar een performance waarin steeds meer plastic zakken onder zijn kleding vandaan komen. Van kleine witte zakjes tot uiteindelijk een grote zwarte sliert plastic, alsof hij alle narigheid uit zijn lijf kotst. Tot uiteindelijk alle lagen van zijn geconstrueerde identiteit zijn afgepeld en een jonge vrouw met haar blote huid in het centrum van de speelvloer overblijft. In Vortex gaat Ménard voorbij aan de gimmick van de zakjes en de ventilatoren. De wetenschap dat Ménard geboren is als jongen en inmiddels als vrouw door het leven gaat geeft extra lading aan de voorstelling.

Loopband

Stel je voor: de Amsterdamse Stadsschouwburg had niet de grote Rabozaal bijgebouwd maar een kleine Melkweg-studio. Met driehonderd zitplaatsen en alle technische faciliteiten die je nodig hebt. En met een stemmig ingerichte foyer met blow-ups van theaterfoto’s waar hippe twintigers en dertigers te dure wijn uit te grote glazen drinken. Dan zou je iets hebben als de Linbury Studio van het Royal Opera House. Waar de koffie overigens opnieuw niet te drinken is.

In deze zaal is tijdens het LIMF A bas bruit te zien van Mathurin Bolze. Een voorstelling met raakvlakken met dans, mime en acrobatiek. Het decor bestaat uit houten podiumdelen in verschillende hoogtes, een projectiescherm en een enorm looprad. In een van de podiumdelen is een loopband verwerkt. Hierin bewegen twee mannen en één vrouw zich continu in verschillende samenstellingen en wisselende intenties. Van een prachtig liefdevol duet tussen een man en een vrouw in moderne dans en acrobatiek tot een bewegingssequentie waarin de drie performers continu van plek wisselen. A bas bruit lijkt te gaan over een wereld die continu in beweging is. In het slotbeeld wordt, uit het niets, een verwijzing gemaakt naar revoluties en mensenmassa’s die in beweging komen. Maar dat is de enige smet op een verder fascinerend geheel.

(eerder verschenen in Theatermaker, april 2014)