Een frisse blik op tekst (terugblik 2008-2009)

(eerder verschenen in TM, september 2009)

Mime, de taal van beweging, ritme, kleur, omhelsde het afgelopen seizoen steeds vaker de taal. Maar rechttoe, rechtaan-vertellingen werden het nooit. Toneelteksten die door mimemakers onder handen worden genomen, krijgen niet de kans de voorstelling te overheersen. Mimers gaan er beeldend mee aan de haal.

Het beeld is bekend: ‘Natuurlijk hou ik van je,’ zegt de vrouw tegen de man, terwijl ze haar blik afwendt. Een enkel gebaar dat de betekenis van de woorden tenietdoet. Dat een gebaar de betekenis van een zin kan onderstrepen of weerleggen, weten we wel. Dat lichaamstaal als expressiemiddel net zo sterk is als gesproken taal, weten we ook. Acteurs kennen de kracht van een blik, een gebaar, een simpele handeling. En mimers kennen ook de kracht van de taal, zo bleek wel weer uit de tekstuele voorstellingen die mimemakers het afgelopen seizoen presenteerden. Rob de Graaf schreef met Amateurs een nieuwe tekst voor Nieuw West, Jakop Ahlbom liet voor De architect een tekst schrijven door Marijke Schermer, het afstudeerfestival Playtime! stond dit jaar bol van de monologen en Sarah Ringoet schreef en regisseerde de monoloog Reprise.

Alledaagsheid en poëzie

Het gebruiken van tekst in de mime gaat al terug tot de voorstellingen van Nieuw West in de jaren tachtig. Marien Jongewaard en Dik Boutkan van de mimeopleiding maakten samen met schrijver Rob de Graaf energieke en poëtische voorstellingen, zoals Rinus en A hard day’s night. Ook nadat De Graaf wegging uit de groep bleef hij voor Nieuw West schrijven, zoals Neanderdal en AHAB.  Ook andere mimers werken met zijn teksten en De Graaf is dan ook  regelmatig terug te vinden op de creditlijst van afstudeervoorstellingen aan de mimeopleiding, waaronder Toon Kuipers’ Het harde rood van mijn gelijk en dit jaar nog Phantom fear van Niels Kuiters.

‘Het komt door jou, al kan ik moeilijk zeggen hoe precies.
Jij gaf een teken en toen kwam ik in beweging.
Jij hebt mij losgelaten en ik ben gegaan.’
(Amateurs, Rob de Graaf, 2008)

De teksten van De Graaf combineren op een prettige manier alledaagsheid en poëzie en sluiten daarmee goed aan bij de mime. Zijn dialogen kunnen al voortkabbelend een situatie schetsen – zoals van een kibbelend echtpaar – waarin de tekst de banale alledaagsheid doet overstijgen door het gebruik van kleine zinnetjes als minigedichtjes of herhalingen als stijlfiguur.

‘De dogma’s van onze vrijheid
Theater moet een ritueel zijn
Theater moet zwaar als een steen zijn en scherp als een mes
Theater is de voorbode van een wereld die gaat komen
Theater is de dionysische bevrijding
Theater helpt ons om uit de gevangenis te breken
Theater is de oudste expressie en theater is het begin van de toekomst
Theater houdt van het lichaam.’
(Amateurs, Rob de Graaf, 2008)

Losgekoppeld

‘Er komt een dag dat ik me niets herinner,’ zegt actrice Suzanne van der Horst in Reprise, geschreven en geregisseerd door Sarah Ringoet. Ze staat met haar rug half van het publiek afgedraaid in een volkomen lege ruimte. Ze kijkt om zich heen en wijst naar een plek op de grond. Ze kijkt achter zich en wijst naar een andere plek. ‘Er komt een dag dat ik me jou niet meer herinner.’

In deze monoloog herstelt de hoofdpersoon van een gebroken relatie. Ze reconstrueert, overdenkt en geeft haar herinneringen een plaats. In deze eerste scène wijst ze plekken aan in de ruimte alsof die zijn verbonden aan bepaalde herinneringen. De betekenis van de woorden is volkomen losgekoppeld van de bewegingen die de actrice maakt. Hoe anders zou de scène eruit hebben gezien als elke beweging de tekst had ondersteund. De actrice had dan misschien op een stoel gezeten, midden voor op het podium, met een glas whisky in haar hand. En met een trillende onderlip had ze de woorden zachtjes uitgesproken: ‘Er komt een dag dat ik me niet herinner.’

In Reprise wordt dergelijke dramatiek kundig vermeden. De nuchtere invulling van het personage door Suzanne van der Horst draagt daaraan bij, maar het is zeker ook de stilering van taal en beweging die voorkomt dat de monoloog blijft hangen in het verder wat eenzijdige narratief van een gebroken hart. Van der Horst houdt consequent haar handen in haar zakken, schudt haar haren, loopt langs de muur, springt en danst. Steeds staan de handelingen volkomen los van de tekst, waardoor het aan de toeschouwer wordt overgelaten de elementen aan elkaar te verbinden.

Ik ben dan hier
En jij bent dan daar
En daar zit iets tussen
Daar zit een stuk land tussen
Er zitten bossen tussen
Er staat een gebergte tussen
De Grand Canyon zit ertussen
Rivieren zitten ertussen
Er zit een natuurramp tussen
Er zit een tsunami tussen
Er zit een uitgestorven diersoort tussen
Een eclips zit ertussen
Een landing op de maan zit ertussen
Een ufo zit ertussen
Er zit vuurwerk tussen

(Reprise, Sarah Ringoet, 2008)

Door tekstuele stileringen, zoals opsommingen en herhalingen, wordt taal onderdeel van de vorm. In Reprise verraadt de vorm een woede, een frustratie die niet in de woorden zelf zit. Vorm wordt inhoud. Tekst en associatief daaraan verbonden beeld vormen samen een intuïtieve voorstelling. Zelfs met een dergelijke tekstuele basis, die toch eerder zou kunnen resulteren in een verstandelijke voorstelling die wordt begrepen, is Reprise een voorstelling die de toeschouwer ‘bevoelt’.

Vervreemdend 

Ook De architect van Jakop Ahlbom heeft een tekst als basis. In nauw overleg met Ahlbom schreef Marijke Schermer een toneeltekst over een man die kan terugkijken op een loopbaan als succesvol architect en zijn vrouw die hem altijd terzijde heeft gestaan, ten koste van haar eigen carrière. Inmiddels zijn ze gepensioneerd en wonen ze in een prachtig appartement. Op een dag krijgen ze nieuwe buren, een jonger echtpaar, waarvan de man aan het begin staat van een veelbelovende carrière als televisiepresentator.

In de voorstelling is de taal de belangrijkste betekenisdrager. De tekst stuwt, behoorlijk traditioneel, de handeling voort. Toch weet Ahlbom met een aantal treffende beelden de vertelling een vervreemdende en grimmige wending te geven. Op het eerste oog toont De architect een volkomen normale huiskamer die is ingericht volgens de laatste voorschriften van VT Wonen. Een ruime huiskamer met een strak vormgegeven bank en een grote flatscreen televisie en een keuken in hetzelfde strakke design als de huiskamer, met een wand vol kastjes. Maar onverwacht maakt het decor allerlei trucs mogelijk; de televisiepresentator komt door de televisie de huiskamer in geklommen en de kastjes zijn van het ene op het andere moment gevuld met pakken suiker, terwijl ze vlak daarvoor nog helemaal leeg waren.

Dergelijke beelden zorgen voor een extra betekenislaag, die de belevingswereld van de vrouw laat zien. Als toeschouwer weet je niet of er werkelijk magische dingen gebeuren of dat de vrouw de grip kwijtraakt op haar verstandelijke vermogens. Een aangename draai aan wat evengoed een heel brave (tekst)voorstelling had kunnen worden.

Playtime!

Tijdens het festival Playtime!, waarin studenten van de mimeopleiding hun afstudeerprojecten presenteren, was het tekstgehalte, meestal in de vorm van monologen, opvallend hoog. Zo voert Niels Kuiters in Phantom fear een man op het toneel die ervan is overtuigd dat de wereld zal vergaan. Hij is de enige die dat beseft; de rest van de domme mensheid snapt niet dat op een goede dag de zuurstof zal zijn opgebruikt en iedereen zal stikken. Gaandeweg deze monoloog, geschreven door Rob de Graaf, neemt het superioriteitsgevoel van de hoofdpersoon beetje bij beetje af. Voelt hij zich in eerste instantie de baas over de hele mensheid en het ganse universum, later beperkt zijn controle zich tot zijn huis, dan tot zijn lichaam, om uiteindelijk in het niets te verdwijnen.

Een andere afstudeerproductie, Donker van Marc Stoffels, begint met een choreografie in een donkere ruimte met af en toe oplichtende vlakken op de vloer. Daardoor zijn alleen fragmenten van de beweging te zien, nooit de beweging in haar geheel. Het lichaam is steeds op de grens van licht en donker. De monoloog die volgt, toont een man die zich op de grens van waan en werkelijkheid bevindt, op de grens van het licht van het verstand en de duisternis van de waanzin.

Zowel in Phantom fear als in Donker dient de tekst niet om psychologisch opgebouwde personages te laten zien of een anekdotische ontwikkeling over te brengen. Stoffels en Kuiters tonen in hun monologen menselijke figuren met angsten en twijfels.

Zo ook Menno Vroon in Toch wil ik, eveneens tijdens Playtime! te zien. Tekstueel stelt deze monoloog niet eens zo veel voor. Een man zegt wat hij in de ruimte ziet, benoemt zijn eigen handelingen en spreekt tot het publiek. Het is de manier waarop Vroon deze teksten uitspreekt die het ’m doet. Met ingehouden agressie slingert hij de zinnen het publiek in. Zijn tekstbehandeling en zijn lichaam verraden een grote onzekerheid, van een man die zich geen houding weet te geven en daarom als een onbehouwen boer zichzelf overschreeuwt. Deze brute kracht wordt afgewisseld met kleine momenten waarop de man een poging doet zijn andere, kwetsbare kant te laten zien.

De personages in deze solo’s worden haast schetsmatig neergezet. Er is geen narratieve laag die de toeschouwers vertelt wat deze mensen bang of twijfelachtig heeft gemaakt. Ze geven slechts een mens in een bepaalde situatie weer, of liever, een mens in een bepaalde gemoedstoestand. Er ontrolt zich geen verhaal, de ontwikkeling zit in het opbouwen, het verhevigen van de gemoedstoestand in ritme en beeld. De taal stuwt de narratieve ontwikkeling niet voort, maar ondersteunt de ontwikkeling van ritme en beeld.

Waarom

De mime blijft zich ook verbaal ontwikkelen. Mimers bezitten het vermogen tekst aan te vullen met beelden en beweging op zo’n manier dat psychologische causaliteit uitblijft. De toeschouwer krijgt niet uitgelegd waarom personages zus of zo handelen, maar voelt dat ‘waarom’ wel aan. Als de mime haar kenmerkende intuïtieve theatertaal inzet in voorstellingen waarin vanuit een tekst wordt gewerkt, geven beelden, klank en beweging een nieuwe, intuïtieve laag aan het verstandelijke aspect van de taal. Wat maakt dat de betekenis van de tekst niet via het hoofd binnenkomt, zoals taal in eerste instantie zou doen, maar via de buik, het hart. En daar zit toch de kracht van de mime.