Het verkeerde been van Boukje Schweigman

(eerder verschenen in TM, december 2006)

In de voorstelling Grond lag over de vloer een dikke laag aarde verspreid, in Dreef dobberde de toeschouwer in een grote rode bol op het water, Weef! was een reis van schaap naar stof en in Wervel draaide Boukje Schweigman een uur lang om haar as terwijl het publiek in een cirkel om haar heen zat. De titel van de nieuwe voorstelling van Boukje Schweigman en Theun Mosk, Hoek, verklapt dat ook deze voorstelling vanuit een zelfde gegeven tot stand komt. ‘Alles begint vanuit de ruimte, de inhoud komt later.’

De samenwerking tussen Theun Mosk en Boukje Schweigman begon met de voorstelling Benen in 2003, maar het startpunt ligt bij Dooier, de solo die Schweigman maakte in het derde jaar van de mimeopleiding. Een voorstelling die begon vanuit Schweigmans nieuwsgierigheid hoe het zou zijn in een volledig rode ruimte te zitten. Theun Mosk volgde toentertijd de opleiding theatertechniek aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten en bezocht de voorstelling. Het was, na een lange reeks van verplichte bezoeken aan teksttoneel, de eerste voorstelling die hem werkelijk aansprak. Sindsdien werken Mosk en Schweigman samen aan beeldende, ervaringsgerichte voorstellingen als Benen (2003), Grond (2004), Weef! en Wervel (2005). Mosk: ‘Het grappige is dat beeldende kunst mij meer aanspreekt dan theater. Ik haal daar meer inspiratie uit. Maar beeldende kunst vind ik vaak te vluchtig; je kijkt en je loopt door. In theater kun je spelen met de tijd die je een bepaalde scene geeft. Bovendien kun je in het theater mensen ín een beeld zetten. Dat vind ik spannend.’

Wervel (2005) is zo’n voorstelling waarbij de toeschouwer in het beeld zit. Het publiek zit in een cirkel op een lage, oncomfortabele bank. In het halfduister ligt Schweigman in het midden van de cirkel onder een grote, verlichte ‘steen’ op een soort wit poeder. Langzaam staat ze op, haar lichaam houdt steeds contact met de omhoog zwevende kei, totdat hij aan haar vingertoppen ontglipt en ze los in de ruimte staat. Dan begint ze te draaien. Eerst heel langzaam, dan langzaam maar zeker sneller en sneller. Marijn van der Jagt schrijft in Vrij Nederland over Wervel dat de voorstelling haar kracht vindt in de beperking: de toeschouwer ziet een uur lang niets anders dan een vrouw die draait, maar de kleine veranderingen in de positie van haar armen, de langzaam bewegende witte ringen voor en achter het publiek, in het licht, in het geluid of een geur die voorbij komt drijven, krijgen daardoor veel meer betekenis.

Zintuiglijke ervaring

Die kracht van de beperking heeft voor Theun Mosk en Boukje Schweigman alles te maken met de schoonheid van het detail. Schweigman: ‘Waar het voor ons sterk over gaat is de vraag: “Hoe stel je de mensen weer open?” Het leven is zo vol invloeden en indrukken. In het dagelijks leven is het veel-veel-veel met als resultaat dat je meer-meer-meer wilt. Je wordt onverzadigbaar. Ik geloof niet dat dat bijdraagt aan geluk. Schoonheid zit in heel kleine dingen en als je die kunt zien, als je de schoonheid van de details kunt ervaren, dan heb je niet zoveel meer nodig. Juist in het theater kun je een situatie creëren die je bij de eenvoud van het bestaan brengt. Ik denk dat het leven daar groter en rijker van wordt.’

Toeschouwers moeten zich kunnen openstellen en kunnen overgeven aan de zintuiglijke ervaring die Mosk en Schweigman bieden. Niet iedereen bezit dat vermogen. Een voorstelling als Wervel roept bij sommige toeschouwers weerstand op. De een gaat door de lage, oncomfortabele bank voorover zitten en begint onrustig te schuiven, terwijl de ander de voorstelling in een soort meditatiehouding tot zich laat doordringen. Soms wordt er iemand boos en zegt dat dit geen theater is.

Schweigman: ‘Dat vind ik zo fascinerend. We leven in zo’n consumptieve wereld, dat iemand kwaad wordt als een beroep op hemzelf wordt gedaan. Terwijl wij nu juist de mogelijkheid bieden om voor jezelf iets te creëren. Het is toch prachtig dat je een kader kunt scheppen waarin je wordt geprikkeld om je open te stellen, om je verbeelding te openen. Dat is alles wat ik wil bieden.’

Aan Theun Mosk vervolgens de taak om, uitgaande van een beginidee van Schweigman, een ruimte te creëren waarin de toeschouwer zich inderdaad kan openstellen voor zo’n ervaring. Daarbij gebruiken ze bijvoorbeeld de ‘driedimensionale rondom benadering’: ‘Mensen kijken niet naar iets, ze zitten in het beeld, in de ruimte die ze zien. Of ze zitten in het geluid, waarbij het geluid vaak op de grens zit van: hoor ik nou wat of niet? Het is niet te plaatsen waar het vandaan komt. Dat opent je zintuigen.’

Wit vlak

Ook de manier waarop Mosk het lichtontwerp maakt, is gericht op het aanspreken van de verbeelding. Niet voor niets begint Wervel in het halfduister en loopt de toeschouwer bij Grond eerst door een donkere gang om vervolgens in een verduisterde ruimte bijna op de tast een plekje op de tribune te vinden. Mosk: ‘Op het moment dat je iets uitlicht, ontstaat de ruimte. Dan wordt ze zichtbaar of voelbaar. Als je dan iets met klank gaat doen, of langzaam iets laat opkomen, roep je intimiteit op.’ Schweigman: ‘Duisternis heeft veel meer geheimen. Het donker is voor mij als het witte vlak voor de schilder. Daar kan nog alles in ontstaan, daar kan nog alles in naar voren komen. In een donker aangelichte ruimte moet je als toeschouwer veel actiever zijn om te kunnen zien. Je kunt niet achterover blijven zitten. En dat past bij ons streven mensen minder consumptief in de zaal te laten zitten, ze hun eigen verbeelding te laten openen.’

Door ook de overgang van het alledaagse leven naar de theatervoorstelling vorm te geven, wordt de toeschouwer al voor de voorstelling uitgedaagd zich open te stellen. De donkere gang waar je als publiek doorheen loopt voor Grond of het één voor één binnengaan van de zaal bij Wervel zijn voorbeelden van hoe Mosk steeds de toeschouwer even isoleert van de groep. Bij Wervel wordt de toeschouwer bovendien gevraagd zijn jas en tas achter te laten en een witte pij aan te trekken voor hij de theaterzaal binnengaat. Mosk: ‘Ik noem die ruimte tussen de foyer en de theaterruimte zelf de transformatieruimte. Weef! begon op een plein in de stad. De toeschouwer moest eerst in zijn eentje een stuk door de stad lopen om bij een loket aan te komen.’ Schweigman: ‘Ruim begon met mensen liggend op een kar die werd gereden door een trekker. Ze maakten een ritje van het festivalterrein naar de locatie van de voorstelling. Je zag de wereld van onderaf. De wolken, de toppen van de bomen en de bovenkanten van de huizen. Als je daar een tijdje in hebt gelegen, kom je heel anders de voorstelling in. Daar zoeken we altijd naar. Hoe kun je mensen op het verkeerde been zetten, zodat ze hun houvast moeten loslaten? We zijn vaak zo bezig met wat we verwachten te zien of te horen, dat we niet meer horen of zien wat zich daadwerkelijk afspeelt. Om mensen met hun neus op de feiten te drukken, in plaats van ze aan hun verwachtingen over te laten, brengen we ze in een kwetsbare situatie. Pas als je je verwachtingen loslaat, niet weet wat er gaat komen, kun je je zintuigen openen.’

De samenwerking tussen Mosk en Schweigman is gebaseerd op een groot vertrouwen in elkaar, hun intuïtie en hun gedeelde vertrouwen in de zeggingskracht van een ruimtelijke vorm. Dat vertrouwen is niet voor iedereen vanzelfsprekend. Schweigman: ‘Toen ik Dooier ging maken en aan de studieleider uitlegde dat ik in een volledig knalrode ruimte wilde zitten en het publiek op rode ballen wilde zetten om te zien hoe dat was, zei hij: “Ja, maar dat is een vormidee. Wat wil je vertellen?” En dat gebeurt me vaker, ook met subsidiegevers, dat ze vragen: wat wil je vertellen? De uitspraak “dat is een vormidee” heeft iets arrogants. Wij weten allebei heel goed dat zo’n vorm heel veel vertelt. De spanning is dat we nog niet weten wat het vertelt en daarom creëren we iets nieuws. Want het moet nog gevonden worden.’

Alles begint vanuit de ruimte, de inhoud komt later. Intuïtief weten ze dat iets klopt, maar nog niet waarom. Mosk: ‘Als de voorstelling er dan is, dan denk je: o ja, dat zat in mijn hoofd. Zo voelt het tenminste voor mij. Dan herken ik het.’

 Proefjes

‘Iets met hoeken’. Met dat idee voor de nieuwe voorstelling kwam Schweigman bij Mosk. Het lijkt misschien niet veel, maar voor Mosk en Schweigman gaat er, bij zo’n ruimtelijke vorm, meteen van alles ratelen. Over dualiteit, over mannelijke en vrouwelijke kwaliteiten, over hoeken met de punt naar je toe en hoeken met de punt van je af. Mosk: ‘Voor mij geeft zo’n vorm allerlei mogelijkheden. Ik zie meteen van alles voor me. Ik zorg dan dat die ruimte heel veel verschillende dingen kan doen. Wanneer een bepaalde verandering precies moet plaatsvinden, en welke betekenis dat heeft, ontdekken we pas later in het proces. Ik werk als een beeldend kunstenaar: ik ga af op wat goed voelt en ga daarmee verder. Schetsen maken, proefopstellingen maken, er een bepaalde lamp op zetten, vragen of Boukje er al iets bij kan doen. En dan bekijken wat werkt en wat niet werkt. Proefjes.’

Schweigman: ‘Tussen ons bestaat een spanningsveld als het gaat om hoe wij over ruimte denken. We hebben daar een tijdje wat wrijving over gehad. Uiteindelijk bleek dat heel vruchtbaar. Aanvankelijk hield ik zelf vooral van de intieme ruimte; een ruimte waarin iets kan ontstaan tussen performer en publiek. Theun houdt ook van het grote gebaar en van het beeld dat een bepaalde afstand nodig heeft.’

Mosk: ‘Toen ik met Boukje ging werken, vond ik het een uitdaging om dat samen te brengen. Ik zag monumentale beelden voor me en wilde proberen daarin te komen, in die wereld te zitten.’

Die wereld kun je zowel in de zwarte doos van het theater als op locatie creëren. De voordelen van een locatie zijn dat de ruimte veel ‘cadeautjes’ heeft te bieden. ‘Dat er ineens een loketje in een gebouw zit. Daar kun je dan iets mee doen in de voorstelling. Of dat vloeren kraken.’ Maar er kleven ook nadelen aan; wind of regen kunnen op een ongewenste manier invloed uitoefenen of een voorstelling zelfs onmogelijk maken, zoals afgelopen zomer het geval was bij Dreef, waar op een bepaalde locatie olie kwam bovendrijven. ‘Dat is dan weer niet zo’n leuk cadeautje.’ Dan is er weer meer voor te zeggen om droog en veilig in de zwarte doos van een theaterzaal te gaan zitten. Hoewel het soms schipperen is met de verschillende zalen waarin ze terechtkomen. ‘Bij zaalvoorstellingen bouwen we dan toch onze eigen ruimte, waarmee we naar verschillende zwarte dozen kunnen reizen. In die zin bouwen we in de zaal onze eigen locatie.’

Schweigman: ‘Theater is de mooiste kunstvorm die er is. Ruimte, performer en toeschouwer zijn fysiek aanwezig. Als je het over het hier en nu hebt, dan heb je het over theater. Het is de beste kunstvorm om te spelen met de mogelijkheden van ruimte.’ Mosk: ‘Ruimte is in theater voelbaarder dan bijvoorbeeld in film. Film is vaak afstandelijker. Theaterruimte kun je meteen ervaren.’ Schweigman: ‘Als in Benen het dak in zijn geheel naar beneden komt, dan doet dat iets met je lichaam. Je fysieke ruimte wordt letterlijk kleiner en dat geeft een heel directe beleving. Die kun je niet via woorden oproepen. Als toeschouwer kijk je niet alleen naar mensen die virtuoos bewegen, maar wordt ook je eigen fysiek aangesproken. Omdat je kijkt naar iemand die letterlijk aanwezig is. En omdat je weet: als ik kuch, hoort die acteur dat ook. Wij willen daar niet tegenin gaan, het is juist iets om uit te buiten. Fysieke aanwezigheid gaat over ruimte. Lichaam is ruimte.’