Jubileum met een mes op de keel

Terwijl de productiehuizen een donkere toekomst te wachten staat, viert het Veemtheater zijn vijfentwintigjarig jubileum. Een mooie gelegenheid om de vier artistiek leiders uit al die jaren om de tafel te zetten en in gesprek te gaan over verleden, heden en toekomst van een theater en productiehuis waar de mime centraal staat.

Wat zou je programmeren als je nu artistiek leider was van het Veemtheater? Met die vraag klopte het jubilerende productiehuis aan bij de drie voormalige artistiek leiders Jeannette Smit (1986-1998), Erik Kouwenhoven (1998-2002) en Marcel Bogers (2002-2009). In het kader van het vijfentwintigjarige bestaan organiseert het Veemtheater drie feestelijke weekenden in november. De drie oudgedienden krijgen ieder een vrijdag om in te vullen. Bojana Mladenovic, artistiek leider sinds 2010, neemt de zaterdagen voor haar rekening en de zondagen worden ingevuld door makers die door Mladenovic zijn gekozen. Dat leidt tot een uiteenlopend en eigenzinnig programma met voorstellingen, films, performances en manifestaties. En natuurlijk feest!

Jeannette Smit nodigde TgSpace uit, die met World Wide Hero een theatrale reünie organiseert. Kouwenhovens keus viel op een egodocumentaire voorstelling van de Britse Kristin Fredericksson over haar vader, aangevuld met een film van Floris Schönfeld over een groep Klingon-fans die Schönfelds Klingon-opera U bezoeken. De vrijdag van Marcel Bogers staat in het teken van ‘Kunst in plaats van propaganda’ en wordt een manifestatie van twaalf uur ’s middags tot twaalf uur ’s nachts rondom de vraag wat kunst kan toevoegen aan het politieke discours.

Al snel komt het gesprek op de keuzes die je maakt als programmeur of artistiek leider. Gaat het erom te tonen wat de mime nu is of laat je je leiden door je huidige persoonlijke fascinaties? De keuze van Smit overbrugt nog het meest de vijfentwintig jaar Veemtheater. Sinds Space begon in het Veemtheater volgde Smit de groep al die jaren en programmeerde haar uiteindelijk ook in Theater Bellevue, waarvan ze sinds 2000 directeur is. ‘TgSpace is een groep die voor mij vertegenwoordigt waar de mime in mijn tijd voor stond,’ licht Smit haar keuze toe. ‘Open en zichzelf onderzoekend. In hun ontwikkeling hebben de makers van Space die openheid altijd vastgehouden.’

De keuzes van Bogers en Kouwenhoven weerspiegelen minder direct de vijfentwintig jaar Veemtheater. Maar ook hun programma’s kenmerken zich door een ‘typische’ mimementaliteit: open, eigenzinnig en onderzoekend. Kouwenhoven koos voor twee presentaties die hem fascineerden en die volgens hem ook verwarring en discussie kunnen oproepen. ‘Ik vond de vraag in eerste instantie lastig. Ik heb de laatste jaren, door mijn werk bij de Koninklijke Schouwburg, weinig mime gezien. Ik ben juist meer van het gesproken woord gaan houden. Ik wilde dicht bij mezelf blijven, maar vroeg me tegelijkertijd af of dat voldoende was. Daarom deze twee presentaties.’ Bogers liet zich vooral leiden door ‘het woordje nu’. ‘Wat houdt me nu bezig en hoe kan kunst daarin een rol spelen? Ik maak me zorgen over de ontwikkelingen in de kunst en de maatschappij. “Kunst in plaats van propaganda” is een concept dat ik met een aantal anderen aan het ontwikkelen ben. Dat staat op dit moment het dichtst bij me.’

Keiharde romantiek

‘We zijn gewoon begonnen,’ vertelt Jeannette Smit terugkijkend op de beginperiode van het Veemtheater. Het gekraakte pakhuis aan de Van Diemenstraat in Amsterdam bood onderdak aan Bewegingsstudio Het Veem. Toen dat begin jaren tachtig ophield te bestaan, sprong Smit in het gat dat dreigde te ontstaan voor jonge mimers. ‘De Mimeopleiding was een heel sterke opleiding. Daar kwamen bijzondere makers vandaan. Ik vond dat er een plek moest zijn waar zij terecht konden.’ Die plek richtte ze in. Zonder geld, maar met behoud van uitkering, werd een werkplaats opgebouwd waar presentaties en voorstellingen van jonge afgestudeerden van de Mimeopleiding en de School voor Nieuwe Dansontwikkeling (SNDO) plaatsvonden. Ze deden alles samen en alles zelf.

Danslab, Amfitheater (het huidige Frascati WG) en het Veemtheater waren toentertijd de drie Amsterdamse werkplaatsen. Alle drie kregen zij in 1991 geld van de gemeente Amsterdam. Het Veemtheater kreeg zelfs bijna het viervoudige van het bedrag dat het had aangevraagd. Smit: ‘De gemeente vond dat de werkplaatsen een belangrijke waarde vertegenwoordigden. Zij voelde de verantwoordelijkheid om jonge kunstenaars de ruimte te geven en zo aan de stad te binden. Toen kon ik mezelf voor het eerst een salaris geven. Dat deed ik toen nog steeds maar voor zeven maanden per jaar, zodat er zoveel mogelijk geld naar de producties ging. Dat deed iedereen. Dat was de geest van die tijd.’

Daarmee lag een mooie basis waarop Erik Kouwenhoven kon voortborduren. Er was een zaal, een organisatiestructuur en financiële steun van de gemeente Amsterdam. Maar het Veemtheater, zo vond het bestuur, kon wel een frisse wind gebruiken. Kouwenhoven: ‘Het Veemtheater was echt een mimefort. Ik wilde de tent opengooien. Naast mime moesten hier ook andere verwante vormen van theater bij elkaar kunnen komen. Dat heeft in eerste instantie veel weerstand opgeroepen.’ 

Het zoeken naar geld vormde een belangrijke rode draad in het werk van de artistiek leiders. Kouwenhoven: ‘Het leek me spannend een plek te runnen waar mensen mooie dingen maakten en daar de financiële middelen voor te vinden. Ik vind het zoeken naar geld altijd een leuke sport. Wat dat betreft hebben we wel wat bereikt; de budgetten, de salarissen en de bezoekcijfers zijn in die jaren allemaal gestegen.’

Voor Bogers was dan ook de insteek om die groei vast te houden en door te zetten. ‘We hebben vooral ingezet op het vinden van meer productiegeld en de organisatie meer te professionaliseren. Gewoon zorgen dat er meer geld komt. Wij gingen wel bewuster met dat bureaucratische circus om dan onze voorgangers in de beginperiode.’

Als enige van de vier artistiek leiders is Bogers zelf gevormd aan de Mimeopleiding. Dat maakte het voor hem vanzelfsprekend  terug te gaan naar de basis van de mime. Tegelijkertijd ontstond in zijn periode ook de stroming van regisseurs wier werk grote verwantschap met de mime vertoont, zoals Lotte van den Berg, Olivier Provily en Jetse Batelaan. De mime werd steeds meer gemeengoed en mimespelers kwamen steeds vaker terecht bij verschillende gezelschappen. Ondertussen ging de Mimeopleiding steeds meer studenten uit het buitenland aantrekken. Niet verbonden met de Nederlandse theatertraditie droegen zij in ruime mate bij aan het vernieuwende karakter van de mime.

Het Veem nu

De vorig jaar geleden aangetreden Bojana Mladenovic had zichzelf graag wat meer tijd gegund om zich haar nieuwe rol als artistiek leider eigen te maken. De huidige bezuinigingen dwingen haar echter dat tempo flink op te schroeven. Mladenovic: ‘We zitten in een nogal onzekere situatie. Medewerkers maken zich zorgen over hun baan en makers vragen zich af waar ze straks terecht kunnen. Het werk wordt sterk gekleurd door de politieke situatie.’

De inhoud van het werk mag er echter niet onder leiden. Met of zonder Halbe Zijlstra, het Veemtheater blijft zich ten taak stellen jonge makers te begeleiden bij het maken van hun voorstellingen en het ontwikkelen van hun signatuur. Mladenovic volgt daarin in eerste instantie de lijnen die waren ingezet door haar voorgangers, bijvoorbeeld wat betreft het internationale karakter van het Veemtheater. ‘Ik werk vooral samen met de Mimeopleiding, de SNDO en Dasarts. En we coproduceren steeds meer met buitenlandse partners.’

Als ze de bezuinigingen weglaat ziet Mladenovic duidelijk de toekomst van het Veemtheater voor zich: ‘een internationaal erkend platform voor actuele podiumkunst.’

Tegelijkertijd zijn die bezuinigingen een gegeven waar je als artistiek leider niet omheen kunt. Mladenovic: ‘Het voelt als een laatste doodsteek voor de sociale waarden, zoals gezondheidszorg, onderwijs en kunst, uit de jaren zestig en zeventig. De overheid wil het allemaal aan de vrije markt overlaten. Terwijl juist de overheid het geld én de verantwoordelijkheid heeft zaken als onderwijs en kunst veilig te stellen.’ Bogers vult aan: ‘Het is echt kwetsend hoe wordt omgegaan met deze vorm van theater. Het gaat niet om de kunst zelf, maar om de positie die kunst inneemt in de politiek.’

Misschien heeft de theatersector een vergissing begaan door zo lang mee te gaan in de discussie over de economische waarde van kunst, stelt Mladenovic. Volgens haar is dat ‘antwoord geven op de verkeerde vraag’. Bogers en Smit denken daar anders over. Bogers: ‘Die discussie zet een aantal zaken die lange tijd voor vanzelfsprekend werden aangenomen op losse schroeven. Het opschudden van het theaterveld kan ook leiden tot een nieuw perspectief. Problematischer is het gebrek aan verstand van zaken en aan een inhoudelijk gesprek over de waarde van kunst. Er wordt gesproken over draagvlak, terwijl in de kunst allang een ontwikkeling gaande is waarin kunstenaars direct contact zoeken met hun publiek. De politiek reageert op een verouderde situatie in de kunst.’

Mladenovic houdt het oog gericht op de toekomst. ‘We moeten niet de lange termijn uit het oog verliezen. We hebben op het moment te maken met een liberaal-conservatieve regering met een rechts-populistische oriëntatie. In Denemarken is daar onlangs, na tien jaar een vergelijkbare situatie, verandering in gekomen. Er zullen altijd golfbewegingen zijn. Misschien wordt het beter, misschien wordt het nog slechter. Maar de situatie waarin we ons nu bevinden hoeft niet voor eeuwig te duren. Tot die tijd moeten wij zo verantwoordelijk en vastberaden mogelijk doorwerken op de manier die wij het beste achten.’ ‘Het is doodzonde als een plek als deze verdwijnt,’ vult Kouwenhoven aan. ‘Maar als het Veemtheater moet stoppen, vermoed ik dat het binnen de kortste keren weer gekraakt zal zijn. De noodzaak voor een plek om dit werk te maken blijft.’ Misschien gaan we wel weer terug naar het begin; de keiharde romantiek van alles zelf en samen doen.