Karina Holla: De fascinatie van het totale anders-zijn

 

Karina Holla, mimespeelster en –maakster van het eerste uur, vertelt aan de vooravond van haar nieuwe voorstelling Fremd-Körper over haar passie voor de mime, haar aansporing aan studenten om hun eigen pad te bewandelen en over de beginjaren van de mime in Nederland, toen alle mogelijkheden nog open lagen maar het tegelijk vechten was om een publiek te vinden dat het genre kon begrijpen.

Je moet de moed vinden om te durven vallen, zegt Karina Holla het liefst tegen haar studenten aan de mimeopleiding in Amsterdam en de acteursopleiding in Utrecht. Zelf vindt ze die moed bij dappere kunstenaars als Louise Bourgeois, Franz Kafka of Valeska Gert. Maar ook in het verhaal van de hoofdpersoon in haar nieuwe voorstelling Fremd-Körper. Stuk voor stuk mensen die het aandurfden van het geijkte pad af te wijken en totaal anders naar de wereld te kijken.

In een studio aan de Amsterdamse wallen werkt Karina Holla toe naar de werkvoorstelling Fremd-Körper die in april in het Ostadetheater te zien zal zijn en vervolgens komend najaar in de Toneelschuur in Haarlem in première gaat. Het krijtbord staat volgeschreven met aantekeningen en aan de kant liggen opengeslagen boeken en geprinte afbeeldingen.

Overlever

Fremd-Körper is geïnspireerd op het verhaal van een vrouw wier man overlijdt in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. Om financiële redenen neemt ze zijn werk als kraandrijver over. Ze knipt haar haren, vermaakt zijn kleding, drinkt bier en eet varkenspootjes. Om ontmaskering te voorkomen neemt ze de vreemdste beroepen aan. Tot kampopzichter aan toe, zodat ze geen medische keuring hoeft te ondergaan. Naarmate haar leven vordert, kan ze niet meer terug.

Karina Holla: ‘Die vrouw is een overlever. Ze is erin geslaagd om alle moeilijkheden te doorstaan en erover te vertellen. Dat fascineert me. Tegelijkertijd is zij zo totaal anders dan ik. Ik ben opgegroeid met het idee dat je troost kunt putten uit kunst. Zij ruilt haar lichaam voor een zak kippenvoer. Ik vind het een uitdaging om onderzoek te doen naar een vrouw die helemaal niet op mij lijkt.’

Sowieso is Holla gefascineerd door de grote ideeënrijkdom in de jaren dertig en veertig, met vernieuwende kunstenaars als Bertolt Brecht, Valeska Gert en Elias Canetti. Holla: ‘Dat “totale anders zijn” spreekt me aan. Het idee dat er geen pad voor je is uitgestippeld, dat je nieuwe dingen kunt beleven en creëren, dat je je leven als het ware opnieuw uitvindt.’ Er is moed voor nodig om dingen te veranderen, omdat het ook heel eenzaam is als buitenstaander niet begrepen te worden. ‘De vrouw in deze voorstelling is ontzettend dapper. Ze had thuis kunnen gaan zitten verpieteren, maar ze trekt de wijde wereld in. En zowaar, ze houdt het vol.’

Vrijgevochten

Karina Holla groeide op als enig kind in een gezin vol klassieke muziek en boeken. Ze danste thuis veel om de aandacht van haar ouders, die een moeilijke relatie hadden, wat af te leiden. Op het Montessori Lyceum in Zeist maakte ze kennis met de schrijver Franz Kafka, die haar de rest van haar loopbaan zou blijven inspireren. Afgelopen zomer maakte ze in Rijeka (Kroatië) nog de voorstelling Kafka project/Borders, die haar de prijs opleverde voor de beste theaterproductie in Kroatië van 2013.

Vervolgens ging ze naar de toen net opgerichte mimeopleiding, waar ze zich meteen thuis voelde. Holla: ‘De opleiding was toen nog een casco, dat je zelf kon inrichten. De belangrijkste bewegingsdocenten waren Frits Vogels en Luc Boyer. In die tijd zijn veel zaadjes geplant voor de rest van mijn werk. Zo vertelde Luc Boyer eens een verhaal van de Franse kunstenaar Roland Topor. Ik heb hem later opgezocht en hij heeft nog een tekst voor mij geschreven. Tijdens de opleiding heb ik ook een stuk gemaakt over Escurial, waarmee ik wilde laten zien dat de mimetechniek mogelijkheden biedt tot het verbinden van acteren en bewegen. Dat je theater kunt maken met mime. Gerardjan Rijnders heeft dat toen gezien. En ik werk nog steeds met hem samen. Het is allemaal op die opleiding begonnen.’

Daarna kwam de stap naar de buitenwereld. Holla: ‘We hadden tijdens de opleiding de voorstelling De maaltijd gemaakt, beïnvloed door Bob Wilson. Iedereen op school was helemaal gek op die voorstelling. Maar op het moment dat we haar bij de opening van het nieuwe Rotterdamse Theater Lantaren speelden, ging het mis. Mensen hadden veel gedronken en riepen dat we ermee moesten ophouden, terwijl wij daar drie dagen in het theater hadden geslapen. Ik heb toen nog een grote taart in het publiek gegooid. We hebben het daarna in Mickery gespeeld en daar werd het ook neergesabeld.’

Het was een botsing tussen droom en werkelijkheid. Een werkelijkheid waarin niemand een idee had wat dat dan was, die mime. In het Shaffy Theater in Amsterdam heeft de mime zich kunnen ontwikkelen. Holla: ‘Daar kon je alles wat je wilde laten zien aan een heel fijn publiek. In 1985 ging ik in Shaffy in première met mijn eerste echte, serieuze voorstelling: Valeska, ich bin eine Hexe over Valeska Gert. Gert was een groteske danseres, die vond dat je vanuit het leven zelf dingen moest maken. Je kon alles bewegen. Of het nou neonreclame is, een boer voor een raam, orgastische dans of de dood van je vader. Dat gaf mij ontzettend veel kracht en moed om dingen te doen zoals ik ze wilde doen.’
Het was een tijd van pionieren voor de mime. Holla schetst de mime van die jaren als een erg gesloten discipline. Er werd prachtig en poëtisch werk gemaakt, maar Holla wilde zelf meer contact met het publiek. ‘Ik was erg beïnvloed door het Werktheater. Ik wilde niet spelen met een vierde wand. Ik wilde niet in een donkere hoek iets maken. Ik wilde vertellen. Bijvoorbeeld over Valeska Gert. Dat zij als joodse danseres in Duitsland op die manier haar eigen voorstellingen ontwikkelde was vooral een schandaal. Haar dansen creëerden een oproer, waarbij zelfs de politie een keer aan te pas is gekomen. Later ging ze naar Amerika, ontmoette daar Tennesse Williams en begon een eigen cabaret. Om uiteindelijk toch weer terug te keren. Dat vond ik een heel mooie samenstelling van leven en werken. Die voorstelling ging dus niet over de hoogtepunten uit haar dansen, maar ook over hoe zij uit haar leven theater destilleerde. Ik vond het spannend om dat te laten zien in een collageachtige voorstelling, waarbij ik een Kummerlied kon afwisselen met een Japanse harakiri. Het samenbrengen van die twee uitersten lijkt onmogelijk, maar als ik het speelde, voelde ik dat het klopte. Die voorstelling is de blikopener geweest voor de rest van mijn carrière.’

 

Dissonant

Het groteske dat Valeska Gert typeerde, is ook bij Karina Holla een belangrijk kenmerk gebleven. Hoewel de associaties die nu rondom ‘grotesk’ kleven niet meer helemaal de lading dekken van Holla’s stijl. Haar voorstellingen zijn weliswaar soms absurdistisch en vervreemdend, maar ze zijn nooit bedoeld om af te stoten of te provoceren. Daarvoor is het contact met het publiek haar te dierbaar. Het is Holla vooral te doen om de ‘emancipatie van de dissonant’.

Holla: ‘Ik vind het heerlijk om als vrouw een metamorfose door te maken naar een monster. Om vanuit de beweging die transformaties te maken en ook de andere kant te laten zien. Het was heel fijn om in het buitenland te kunnen vertellen dat je in Nederland niet hoefde te behagen. Hier mocht je mensen op het verkeerde been zetten en op een nieuwe manier naar de wereld laten kijken. Ik wil in mijn voorstelling spelen met de lelijkheid en de schoonheid. Tijdens het werken aan Zwanenzang bijvoorbeeld hadden de spelers een heel zachte en vloeiende dans gemaakt. Ik wilde daar wat hoekigheid in, om op die manier ook de gebrokenheid, de pijn, het oud zijn te kunnen laten zien.’

Dat heeft bij Holla alles met acceptatie te maken. ‘Het gaat om het omarmen van de hele mensheid. Dus van jong, maar ook van oud. Van gebrekkig. Van afstotend. Het leven en de mens heeft nu eenmaal beide kanten. En het is belangrijk je open te stellen voor nieuwe en andere ideeën.’

Daarbij moet je soms risico’s kunnen nemen, vindt Holla. In het steeds behaagzieker wordende Nederlandse theaterveld wordt dat steeds lastiger. Gelukkig gaat het goed met de mime. Makers als Boukje Schweigman, Jakop Ahlbom en Golden Palace worden structureel gefinancierd. Veel regisseurs kiezen ervoor met mimespelers te werken. Maar de mime moet wel autonoom blijven. Holla: ‘Het is belangrijk dat de identiteit blijft. De mime moet niet opgaan in iets anders. Dat hebben wij altijd met veel bloed, zweet en tranen bevochten.’

De nieuwe generatie staat een behoorlijke uitdaging te wachten. Enerzijds ziet Holla dat de studenten de neiging hebben zich nu al in te dekken en veilige keuzes te maken. Doodzonde, vindt Holla. ‘Dat is precies waar de politiek je hebben wil. Dat je niet meer durft.’ Anderzijds ziet ze ook heel veel energie en trots op de mime bij de studenten. ‘Ik zeg tegen ze: jullie zijn jong, het leven is kort, zoek je grenzen op, geniet ervan, wees trots op wat je doet, wees in het moment en geef alles wat je hebt. Durf te vallen. Durf in wonderen te geloven.’

Die passie heeft ervoor gezorgd dat Holla toch weer een nieuwe voorstelling kan maken. Weliswaar zonder middelen of subsidie, maar het lukt haar wel. Niet alleen dankzij het lesgeven, maar ook dankzij de verschillende projecten die ze in bijvoorbeeld Stockholm, Zagreb en Brazilië doet. Holla: ‘Ik heb een fantastische tijd achter de rug. Ik heb zoveel projecten kunnen doen en ik heb altijd mijn eigen theater kunnen maken. Ik heb er nooit, zoals de studenten nu, allerlei baantjes naast hoeven doen. Dus ik heb het idee dat ik ook wel weer iets kan teruggeven. Desnoods sta ik zonder financiële middelen in mijn eentje op het podium, maar ik wil voorstellingen blijven maken.’

www.karinaholla.nl

 

(eerder verschenen in Theatermaker, april 2014)