Kassys: Is everybody happy?

 

(eerder verschenen in TM, april 2009)

Wanneer heb je voor het laatst een snoepje in je mond gehad en alleen maar genoten van de smaak? Wanneer heb je voor het laatst een muzieknummer afgeluisterd zonder te denken aan de afwas? Wanneer heb je voor het laatst een warm theeglas in je koude handen gehad en alleen maar naar buiten gekeken? Dit soort kleine momenten van intense tevredenheid zijn het geluk waar het om draait (moet dat niet zijn ‘waar het om draait’?) in de nieuwe voorstelling Everybody happy van Kassys. Artistiek leider Liesbeth Gritter en dramaturg Mette van der Sijs zijn een enorme uitdaging aangegaan: een uur lang boeiend theater maken over mensen die intens tevreden zijn, zonder ironisch of clichématig te worden.

Everybody happy is een vervolg op Kommer. Of beter gezegd: een gevolg van deze voorstelling uit 2004. In Kommer krijgen de zes spelers vlak voor het begin van de voorstelling heel slecht nieuws te horen. De voorstelling bestaat uit hun reactie op dit nieuws en het verwerken van het verdriet. Liesbeth Gritter: ‘De gesprekken met het publiek na afloop van die voorstelling gingen continu over verdriet. Dat deed me beseffen dat de producties die we tot dan toe hadden gemaakt, gedrag toonden wat nooit echt positief was. Ik wilde nu eens het tegenovergestelde doen.’

Dat valt nog lang niet mee. Geluk is theatraal gezien nu eenmaal niet zo interessant. Gritter: ‘Geluk is snel verteld. Verdriet heeft verschillende lagen. Als iemand zegt dat het goed gaat, ben je snel uitgepraat. Maar zegt iemand “mwah”, dan begint een verhaal. Het is lastig geluk boeiend te houden. En we willen niet in de valkuil stappen geluk ironisch te benaderen. Het is te makkelijk gelukkige of optimistische mensen weg te zetten als oppervlakkig, zweverig of naïef. Wij proberen het verschijnsel geluk oprecht te benaderen. Wat is het precies? Hoe ziet het eruit? Hoe lang kan een geluksmoment duren?’

Meer dan eerdere voorstellingen zal Everybody happy gaan over de ervaring van tijd, vermoedt Gritter. Van der Sijs vult aan: ‘We proberen de handelingen zo puur mogelijk te houden. We nodigen het publiek uit om te kijken naar “wat het is”. Dan heb je geen anekdote of voorgeschiedenis nodig.’

Met dit uitgangspunt past deze voorstelling naadloos in de lijn van het overige werk van Kassys, het gezelschap dat ontstond op DasArts. Liesbeth Gritter kwam van de Academie voor Beeldende Kunst en Mette van der Sijs van de Dansacademie. Van der Sijs twijfelde of ze wilde doorgaan met dans en zocht op DasArts de ruimte om onderzoek te doen. Gritter had (en heeft) eigenlijk een hekel aan theater, maar ontdekte op DasArts dat theater het beste medium was om haar ideeën vorm te geven. Ze vonden elkaar in een gedeeld afgrijzen van ongeloofwaardigheid en ontwikkelden een vorm van theater waarin de anekdote wordt losgelaten en het publiek het menselijk gedrag kan ‘begluren’.

Inmiddels zijn ze tien jaar verder, maar terugblikken doen ze niet. Van der Sijs: ‘Dat suggereert dat je stilstaat. We kijken wel terug op eerdere voorstellingen, maar altijd in relatie tot de voorstelling waarmee we bezig zijn of die we voorbereiden.’ Natuurlijk zijn sinds de beginjaren enkele zaken veranderd. Gritter en Van der Sijs doen tegenwoordig minder concessies aan de opvatting dat de toeschouwer het ‘leuk moet vinden’. Bovendien zijn de voorstellingen gelaagder geworden. Gritter: ‘De eerste voorstelling liet vooral gedrag zien van mensen die zich ongemakkelijk voelden en zichzelf een houding probeerden te geven. De latere voorstellingen gingen over onderwerpen als verdriet of opvoeden. We zijn van gedrag in puur fysieke zin naar gedrag in emotionele zin gegaan. Dat maakte de voorstellingen complexer.’

Manipulatie

Ondanks de veranderde onderwerpen valt in alle voorstellingen nog steeds een duidelijke Kassys-stijl te herkennen. Het gebruik van film is daarbij een belangrijk element. Gritter: ‘Op de kunstacademie was ik al veel met film en fotografie bezig. Film is een prettig medium om iets in te vertellen. Je kunt je verhaal een kader geven en sprongen maken in tijd en plaats, terwijl het theater altijd in het hier-en-nu plaatsvindt en die zwarte doos niet uit kan. Ik zet die verschillen graag naast elkaar. Ze versterken elkaar.’

Zoals in Baas slaat man (2001), die begon met het vertonen van een nepdocumentaire over het maakproces van de voorstelling. Nadat het publiek twintig minuten had gekeken naar audities, repetities en ruzies, begon de ‘echte’ voorstelling. Het live-moment werd versterkt doordat het publiek de spelers al had gezien op film. Gritter: ‘We zoeken altijd naar een manier om de film en de live aanwezigheid inhoudelijk met elkaar te laten overeenkomen.’

In Good cop bad cop (2007) waren op een groot scherm drie spelers te zien die vertelden over hun emoties, terwijl ze recht in de camera keken. Daarbij kwamen de nodige platitudes voorbij, zoals ‘Alle neuzen in dezelfde richting en we gaan ervoor.’ Of: ‘We hebben zoveel meegemaakt en het was emotioneel zwaar.’ En: ‘Maar de kracht van de liefde sleepte iedereen er doorheen. Samen kun je alles aan. Wat er ook gebeurt.’

Terwijl de film de sentimentele clichés van realityshows op televisie becommentarieerde, speelden de drie spelers op de vloer huisdieren: twee katten en een hond. Ze sliepen, wandelden wat rond, sprongen op de tafel om de kamer in te kijken of stonden voor de deur te wachten op hun baasje. Door de teksten uit de film, projecteerde de toeschouwer van alles op die aandoenlijke huisdieren. Film en theater gingen een wisselwerking met elkaar aan. Gritter: ‘Met film kun je extra informatie geven over hoe het publiek moet kijken. Je kunt het publiek een bril opzetten. Dat is een fijn manipulatiemiddel omdat je dan subtieler te werk kunt gaan. Je hoeft bepaalde zaken niet meer te illustreren. Net als bij muziek, die gaat ook recht het hart in. Je hoeft niet meer verdrietig te spelen als de muziek die emotie al voor je inkleurt. Dankzij de film ga je toch anders naar die dieren kijken.’

Grensgebied

De puurheid en oprechtheid waarnaar Van der Sijs en Gritter in Everybody happy met de spelers op zoek zijn, vormt een rode draad in de voorstellingen van Kassys. Gritter: ‘Mensen die doen alsof vind ik in het echte leven niet fijn om naar te kijken, en in het theater ook niet.’ Van der Sijs: ‘Dat heeft ook te maken met het soort anekdotisch theater waarin net iets te groot wordt geacteerd, zodat de mensen op de achterste rij het ook nog kunnen zien.’

Een van de ingrepen die Kassys pleegt om oprechtheid te waarborgen is het loslaten van de anekdote. De groep werkt niet met verhalen over gezinnen, conflictueuze drama’s die uitlopen op een happy end of psychologisch opgebouwde personages. Vertrekkend vanuit een concrete situatie nodigen de makers het publiek uit te kijken naar het gedrag van mensen die iets vervelends te horen krijgen, zich kapot vervelen of zich ongemakkelijk voelen. Van der Sijs: ‘Het publiek krijgt de tijd die mensen te observeren en zichzelf in zijn gedrag te herkennen. Daarbij is geen verhaal nodig.’

Sterker nog, het werken vanuit een situatie in plaats van een anekdote werkt zelfs beter en directer. Gritter: ‘Als je een verhaaltje krijgt voorgeschoteld, kun je daar lekker in meedromen of afstand van de handeling nemen. Je kunt jezelf geruststellen met de gedachte dat het over “die mensen daar” gaat en niet over jezelf. Je blijft naar personages kijken, naar een vader, of een zus. Zodra dat wegvalt, vindt de toeschouwer redenen om zich te identifieren met de mensen op de speelvloer.’ Van der Sijs: ‘Bij Kommer was er geen verhaal waarin werd verteld wie er precies dood was. Juist daardoor ging je meer naar het gedrag zelf kijken. Details vallen op en je denkt aan je eigen gedrag, maar niet via een fictief personage.’

In de voorstellingen wordt altijd gestreefd naar de grootst mogelijke authenticiteit. Gritter: ‘Ik kan me zo verwonderen over het gedrag van mensen. Zodra andere mensen in de buurt komen, gaan we ons anders gedragen om leuker te worden gevonden. Daarom vind ik het interessant tegenover dat gedrag het gedrag van kinderen of dieren te zetten, zoals in Good cop bad cop of LIGA (2006). Die “zijn” gewoon en houden zich totaal niet bezig met wat anderen daarvan denken of vinden.’

Van der Sijs: ‘Ook mensen die verdriet hebben houden geen façade op. Zij denken niet meer aan hun oogschaduw en of hun haar nog goed zit. Omdat ze zo puur zijn in hun gedrag, zijn ze fascinerend om naar te kijken. En heel mooi.’

Tegelijkertijd is ‘doen alsof’, wat theater nu eenmaal toch is, ook een heel spannend gegeven om mee te werken. Kassys werkt daarom vaak op het grensgebied van authenticiteit en theatraliteit – de suggestie dat wat je op het toneel ziet echt is en tegelijkertijd de wetenschap dat theater natuurlijk nooit echt is. Gritter: ‘Bij ons illustreren de acteurs het gedrag niet, zij laten het zien. Als toeschouwer heb je het idee dat je iets in het gedrag van de speler hebt ontdekt, zonder dat die speler dat zichtbaar heeft getoond.’ Van der Sijs: ‘Daaraan werken wij heel hard, om dat zo te spelen.’ Gritter: ‘Het is natuurlijk net zo nep als “doen alsof”, maar het oogt geloofwaardig.’ Van der Sijs: ‘Eigenlijk is het superbedrog’. 

 www.kassys.nl