Kunst langs de sociale weg

(eerder verschenen in TM, maart 2011)

Community art, en community theater als onderdeel daarvan, wordt de laatste jaren steeds serieuzer genomen. Het creëren door en met amateurs is een van de beleidsdoelen van het Fonds Cultuurparticipatie, sinds het huidige kunstenplan een zelfstandige instelling. Verder start eind deze maand de vijfde editie van het International Community Arts Festival (ICAF) in Rotterdam. Drie weken voor die tijd strijken makers uit de hele wereld neer in Rotterdam en Den Haag om projecten uit te voeren met lokale bewoners, van textieldesign en fashion in IJsselmonde tot dans in Den Haag. Artistiek leider Eugène van Erven hoopt met zijn festival iets in gang te zetten dat beklijft.

Voor de wortels van de community art moeten we terug naar het Groot-Brittanië van de jaren zestig, waar sociaal betrokken kunstenaars subsidie aanvroegen voor initiatieven die ze met deelnemers uit de gemeenschap wilden opzetten. Er werd een aparte subsidiecategorie voor in het leven geroepen en voilà: de community art was geboren. In Nederland roept de term vooral herinneringen op aan vormingstoneel uit de jaren zeventig. Al snel doemen beelden op van betutteling en betweterigheid, schrikbeelden van aquarellende arbeiders of zingende huisvrouwen, waarbij steeds gold dat meedoen belangrijker was dan het resultaat dat de toeschouwer uiteindelijk kreeg voorgeschoteld. Community art anno 2011 is een bloeiende sector, met professionele kunstenaars die de wijken in gaan op zoek naar inspiratie en waar sociale impact artistieke kwaliteit niet in de weg staat. Maar de sector heeft nog veel te bediscussieren en te bevechten. In Nederland werkzame community artists bevinden zich een moeilijke spagaat tussen de beleidsmaker die hooggespannen verwachtingen hebben van het oplossend vermogen van kunstprojecten, hun eigen artistieke en sociale ambities, de praktijk van onervaren deelnemers en de neerbuigende toon van de mainstream die het oubollige beeld van het vormingstoneel niet kan loslaten. De levendigheid van de sector blijkt al uit de hoeveelheid publicaties en activiteiten die op touw werden gezet rondom het genre, waaronder een Boekmancahier, het seminar The Next Step (een gezamenlijk initiatief van o.a. TIN, Boekmanstichting, Fonds Podiumkunsten, Domein voor Kunstkritiek en Kunstenaars&Co) en het essay ‘Theater en het Nationale Gesprek’ dat theaterwetenschapper Eugène van Erven schreef als houder van de Marie Kleine-Gartmanpen (2010). In die lijst mag zeker ook het International Community Arts Festival niet ontbreken, waarvan Van Erven dit jaar voor de tweede maal de artistieke leiding op zich neemt.

In 2001 organiseerde het Rotterdams Wijktheater voor het eerst het Rotterdams International Wijktheater Festival, de voorloper van het International Community Arts Festival. Na drie edities in 2001, 2002 en 2003 werd het minifestival, dat alleen internationaal wijktheater samenbracht en presenteerde, in 2008 nieuw leven ingeblazen; onder leiding van Van Erven ontpopte het ICAF zich dat jaar tot een internationaal gewaardeerd evenement met workshops, voorstellingen en artists-in-residence. Dit jaar vindt het festival opnieuw plaats, en opnieuw in uitgebreide vorm. Zo komt er een dagelijks seminar over de kracht van community art, geleid door de Amerikaanse wetenschapper Jan Johen-Cruz.

Kwaliteitseisen
Volgens Eugène van Erven schuilt de kracht van community art in het aanjagen van ontmoetingen tussen mensen die op geen enkele andere manier hadden kunnen ontstaan. ‘Je kunt een koffieochtend organiseren in een buurthuis. Dat is ook een gelegenheid waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Maar als je een groep mensen met uiteenlopende achtergronden samen aan een kunstwerk of theatervoorstelling laat werken, ontstaan er gesprekken die tijdens zo’n koffieochtend niet van de grond komen.

‘Zo’n ontmoeting vraagt een groot vakmanschap van de makers, niet alleen op artistiek-esthetisch vlak maar ook in het begeleiden van mensen die niet ervaren zijn. Het gaat om het leveren van kwaliteit die de kunst zowel interessant maakt voor de betrokken deelnemers als voor niet-betrokkenen. Het moet de eigen kleine wereld van de participanten kunnen overstijgen.’

Die tweeledige kwaliteitseis die aan community art wordt gesteld levert de nodige discussie op over de criteria op grond waarvan projecten moeten worden beoordeeld: telt het (sociale) proces zwaarder of moet de nadruk liggen op het (artistieke) eindproduct? Niet overal wordt daar hetzelfde over gedacht. De Nederlandse benadering verschilt bijvoorbeeld sterk van die in de Angelsaksische landen. In Nederland zijn community kunstenaars vooral resultaatgericht, constateert Van Erven. ‘Community art is hier opgepikt door idealistische kunstenaars die van de vakopleidingen komen. Zij richten zich op een eindresultaat dat zich kan meten met artistiek-esthetische maatstaven.’ In Angelsaksische landen ligt de herkomst van de community art weliswaar ook bij kunstenaars met idealistische motieven, maar hebben participatie en het proces lange tijd zwaarder gewogen dan de artistieke kwaliteit van het eindproduct. Inmiddels lijkt zich daarin ook een verschuiving voor te doen, onder andere bij Dance United dat ook in het festival te zien zal zijn.

Met de Nederlandse attitude bestaat het gevaar dat wordt voorbijgegaan aan het eigenlijke doel van community art: het organiseren van ontmoetingen en het in gang zetten van veranderingen in een gemeenschap. Anderzijds behoedt het artistieke denken in de Nederlandse community art ons voor een gevaarlijke valkuil, betoogt de Britse onderzoeker François Matarasso (door Van Erven vorig jaar geciteerd in zijn essay voor de Marie Kleine-Gartmanpen): ‘Je zou als maker van community art moeten ambiëren dat je werk ook te zien is in de mainstream. Als je dat niet doet, terwijl je werkt met mensen die al maatschappelijk uitgesloten zijn, dan loop je het risico dat je een nieuwe vorm van uitsluiting schept. Ze zijn al uitgesloten waar het huisvesting, onderwijs en werkgelegenheid betreft en daarnaast creëer je ook nog eens een aparte kunstplek voor ze.’

Hoewel dit streven naar integratie van community art en mainstream kunst wat Van Erven betreft een wat romantisch ideaal is, onderschrijft hij het risico op marginalisering dat opdoemt door community art slechts op zijn sociale merites te beoordelen. Hij kan zich dan ook verheugen over de houding waarmee een nieuwe generatie makers in Nederland het veld bestormt. ‘Veel jonge kunstenaars worden gedreven door engagement en zoeken naar kunst in het alledaagse leven. De conventionele kunstwereld functioneert voor hen niet, zij streven naar een andere manier om een band met hun omgeving aan te gaan. Daarmee duwen zij ook de community art een nieuwe kant op.’

Wederkerigheid
Tijdens het ICAF kunnen kunstenaars, publiek en beleidsmakers kennisnemen van projecten uit Zuid-Afrika, Australië, Polen, Groot-Brittanië, Canada, de Verenigde Staten, Chili, Argentinië, Brazilië en Peru.

Ook Nederlandse makers staan op het programma, met projecten die professionele kunstenaars en niet-professionele deelnemers samenbrengen. Zo brengt Merlijn Twaalfhoven The Air We Breathe, een interactief concert met professionele zangers, een semiprofessioneel koor en een zingend publiek. Het Mama Verhalenkoor verwerkt verhalen van koorleden in liederen en AllAboutUs FilmFactory geeft jonge mensen een camera in de hand en begeleidt ze bij het maken van hun eerste documentaire.

Dergelijke projecten brengen het principe van wederkerigheid, zoals Jan Johen-Cruz dat formuleert, in de praktijk. Van Erven vat diens opvatting in zijn essay samen als ‘een uitgangspunt waarbij beide partijen elkaar voeden en uitdagen om het beste uit zichzelf en elkaar te halen. Deelnemers maken mee wat het is om ideeën te vertalen naar vormen en beelden en al doende reflecteren ze op hun eigen bestaan. Kunstenaars raken op hun beurt geïnspireerd door mensen uit alle lagen van de bevolking met een andere ervaring of levenshouding dan zij.’

De wederkerigheid die Johen-Cruz benoemt sluit beter aan bij hedendaagse praktijk van community art dan het beeld van de beterwetende kunstenaar die zijn levende materiaal, de mensen uit de gemeenschap waarin hij werkt, alleen maar gebruikt om zijn eigen kunst naar een hoger plan te tillen. Kunstenaars zoeken inspiratie en geven daar creativiteit voor terug. Daarbij hoeven sociale impact en kwaliteit elkaar niet uit te sluiten.

Schilderswijk
Dat blijkt ook uit de projecten van de organisaties die Van Erven uitnodigde om in Nederland een community art-project te komen uitvoeren. Een van de gastmakers is de Zweeds-Chileense choreografe Paloma Madrid, die onder de noemer ‘Dans aan huis’ dansen creëerde in achterstandswijken in Stockholm met mensen zonder danservaring en die in huiskamers opvoerde. In de weken voorafgaand aan het ICAF wil Paloma eenzelfde traject afleggen met Rotterdammers in een appartement in Katendrecht.

Ook de Britse groep Dance United geeft acte de présence. Deze groep choreografen werkte eerder met straatkinderen in Addis Abeda en ensceneerde in Berlijn, in samenwerking met het Berliner Philharmonisch Orkest, de Sacre du Printemps met kinderen uit achterstandswijken. In haar standplaats Londen heeft Dance United een effectieve methode ontwikkeld om in korte tijd met kwetsbare jongeren hoogwaardige contemporaine dansproducties te maken. Deze maand brengen zij de methode naar Den Haag, waar ze werken met een groep van zestien jongeren uit de Schilderswijk en vier jongeren uit Londen.

In Rotterdam zullen twee kunstenaars van Imbali Visual Literacy uit het Zuid-Afrikaanse Johannesburg met een groep vrouwen met diverse culturele achtergronden textiel ontwerpen en zeefdrukken maken. De uit Tjaad gevluchte couturier Abdoul Bour verwerkt deze stoffen in kledingstukken die op de laatste zondag van het festival, samen met werk van de andere gastmakers, worden gepresenteerd.

Door buitenlandse gastmakers in Nederland aan het werk te zetten gaat Van Erven een stap verder dan alleen het presenteren van voorstellingen. De geïnviteerde makers belichamen volgens hem de kracht van community art. Ze hebben methodes ontwikkeld die in eigen land succesvol zijn gebleken en die zowel sociale impact als artistieke kwaliteit bezitten. Tijdens de residencies krijgen ze de gelegenheid hun methodes in Nederland uit te proberen; Nederlandse makers op hun beurt worden in staat gesteld kennis te maken met nieuwe manieren van werken.

‘Blij en trots’ is van Erven vooral dankzij de aanwezigheid van Big hART uit Australië, ‘een groep met visie en lef’ dat het festival zal openen. Deze groep is een lange relatie aangegaan met een Aboriginal-gemeenschap in de Outback, de rimboe, waaruit onder andere een theatervoorstelling voortkwam die in de prijzen viel op het Sydney Festival. ‘Met hun muziek, theater en film wakkerden ze een nationale discussie aan over de situatie van de Aboriginals en bereikten daarmee zelfs het parlement. Zij weten in alle lagen van de samenleving iets te veroorzaken. Ze durven langdurige samenwerkingsverbanden aan te gaan en groot te denken. Zij zijn ervan overtuigd dat ze met kunst de wereld kunnen veranderen. Dat is inspirerend; het is de kracht van community art.’

Beklijven

Met zijn festival hoopt Van Erven de discussie aan te moedigen over de ontwikkeling en het belang van community art. ‘Onze buitenlandse partners – en dat zijn er dit jaar meer dan ooit – willen graag duurzame samenwerkingen aangaan; zo hoopt Dance United haar dansproject uit Den Haag straks ook in Londen te kunnen tonen. Tijdens een eerdere editie van het festival zijn groepen uit Lima, Antwerpen, New York en Zuid-Afrika gestart met een virtueel theaterlab onder de naam World Wide Virtual Theatre Carrousel. Dit jaar komen zij terug in de hoop organisaties te treffen die zich bij hen willen aansluiten. Ik hoop dat er een internationale dialoog ontstaat die na het festival doorgaat. Dat het festival en onze gastmakers iets zullen veroorzaken dat beklijft.’

International Community Arts Festival
30 maart t/m 3 april 2011, in en rond Theater Zuidplein Rotterdam
www.icafrotterdam.com