Liefde voor het detail

(eerder verschenen in TM, juni 2005)

Hoe lang ze ook bestaat, mime blijft een vorm van theater die zich voornamelijk afspeelt in de marge. De term mime staat zelden in de seizoensbrochures of maandagenda’s vermeld, laat staan dat er wordt geschreven over de nieuwe generatie mimers die nog niet tot de hoogte van bijvoorbeeld Carver zijn gestegen. Tijd dus om daar verandering in te brengen en de blik op de toekomst te richten.

Mime worstelt met een imagoprobleem waarvan menig marketingdeskundige wakker zou liggen. De term mime roept onder het grote publiek immers nog altijd het beeld op van een witgeschminkte man die doet alsof hij in een glazen kast gevangen zit. Terwijl mime al zeker veertig jaar iets heel anders is.

Mime wordt vaak omschreven als een theatervorm die zich ‘ergens’ tussen toneel en dans bevindt. Met dans heeft mime gemeen dat ze vertrekt vanuit beweging. Het lichaam dat zich op een bepaalde manier verhoudt tot de ruimte is een belangrijk uitgangspunt. Daar staat tegenover dat de dans is gericht op de vorm en de esthetiek van de beweging.

In de mime is dit niet altijd het geval. Beweging wordt ook op een meer alledaagse manier ingezet of gekoppeld aan een concrete dramatische situatie. Daarin komt mime meer overeen met toneel. Toch zal de mime niet zo snel afgeronde, logisch en causaal opgebouwde verhalen vertellen zoals het conventionele toneel dat doet. Er wordt getoond, gespeeld en verteld, maar er wordt niet uitgelegd of ingevuld. Het zijn de associaties en de ervaringen die de beelden en de bewegingen oproepen bij het publiek, die de betekenis van een voorstelling vormen. In de mime wordt altijd ruimte gelaten voor de verbeelding van de toeschouwer.

 In hoe ze dat doen, verschillen de mimers onderling sterk van elkaar. Er zijn twee hoofdstromingen in de mime te  onderscheiden. Enerzijds de meer abstracte mime, die de kant van de dans opgaat, anderzijds de meer verhalende mime met alledaagse en herkenbare elementen. Toch liet de mime zich nooit makkelijk vangen in genreaanduidingen of hokjestermen. Iedere mimer vertrekt vanuit zijn eigen lichaam en vanuit zijn eigen beleving. En de ene mimer is nou eenmaal de andere niet. Daarom kent de mime een enorme diversiteit aan stijlen en vormen.

Witte pruik

Dat geldt ook voor de jongste generatie mimers. De klas die dit jaar afstudeert aan de mimeopleiding van de Amsterdamse Theaterschool is volgens artistiek leider Loes van der Pligt weer ‘een rijk makersjaar’ met veelbelovende en getalenteerde mimers. Wie wil weten wat de nieuwe generatie mimers te bieden heeft, had eigenlijk begin mei zijn tent moeten opslaan in het Amsterdamse Veemtheater. Onder de noemer Playtime! waren daar een week lang de eindprojecten te zien van de zes afstuderende studenten aan de mimeopleiding.

In Stilte ivm aanvang voorstelling van Anne van Dorp staat een viertal figuranten in de opera te wachten op het moment dat ze op mogen. Ze staan klaar in vol ornaat; mooi kostuum, witte pruik en schoenen met een strik. Ze zitten op een bankje in de coulissen te wachten. De opera is slechts aanwezig in de muziek en de lichtwisselingen die van de zijkant de vloer op stromen. Als het om een verhaal zou gaan, gebeurt er tijdens de drie kwartier durende voorstelling helemaal niets. Tegelijkertijd gebeurt er voor je ogen heel veel; de een ruikt iets en probeert te achterhalen waar die geur vandaan komt, de ander worstelt met iets dat loszit aan zijn jas. Ondertussen kijken ze naar de opera, vervelen zich een beetje of laten zich juist meeslepen door een bepaalde scène. Als toeschouwer weet je heel veel niet. Er wordt niets duidelijk over wie die figuranten precies zijn, waarom ze voor dit beroep hebben gekozen of wat hun verleden is. Hun verhaal wordt verteld door in te zoomen op kleine handelingen die ze uitvoeren, daardoor krijg je een vermoeden van hun gevoelens of verlangens.

Het harde rood van mijn gelijk van Toon Kuijpers, speciaal voor hem geschreven door toneelschrijver Rob de Graaf, is een monoloog van een jonge man die zichzelf als ‘een levend ongemak’ beschrijft. Tenminste, hij denkt dat de rest van de wereld hem zo ziet. Kuijpers speelt een jongen die radicaliseert omdat hij geen plaats weet in de maatschappij. Hij speelt de solo in een lange, kelderachtige ruimte die relatief smal en laag is, wat een benauwend gevoel geeft. Als enige voorwerp in die kale ruimte bevindt zich een looprad; zo’n molen waarmee hamsters je de hele nacht kunnen wakker houden, maar dan op mensengrootte. De beweging in deze solo is voor een belangrijk deel gekoppeld aan dat rad. Kuijpers laat het rad draaien, hij zit erop, kruipt eronder en rent erin. Het geraas dat het draaiende rad veroorzaakt, overstemt weliswaar zijn woorden maar brengt ook de verwoestende kracht tot uitdrukking die in deze jongen zit.

 Zintuiglijke reis

 Wat de jonge mimers met elkaar verbindt is de liefde voor het detail, is de indruk van Loes van der Pligt. Een voorstelling als Stilte ivm aanvang voorstelling zoomt in op de kleine gebaren waardoor die kleine gebaren belangrijke handelingen worden. Ook de ruimtelijkheid van de afstudeerprojecten, zoals in Het harde rood van mijn gelijk, is opvallend. De afstuderende mimers zijn veel bezig met de mogelijkheden een ruimte te veranderen en naar hun hand te zetten. Zo creëert Tjebbe Roelofs in zijn afstudeersolo Ko zijn met behulp van raamkozijnen een kleinere ruimte op de spelvloer. Het beeld van de man die zich in die ruimte bevindt en door de ramen naar buiten kijkt, geeft de toeschouwer een gevoel van opsluiting.

Liefde voor het detail en ruimtelijkheid vind je ook terug in het werk van Boukje Schweigman en David Weber-Krebs, jonge mimers die in respectievelijk 2003 en 2002 zijn afgestudeerd. Ik wil dat we met z’n allen in dezelfde wereld zitten,’ zei Boukje Schweigman in een interview in een eerdere TM (TM  november 2003). Schweigmans voorstellingen zetten namelijk niet alleen het lichaam van de speler centraal, maar ook dat van de toeschouwer. Toen ze vorig jaar in Leiden Weef! maakte, liep je als toeschouwer niet alleen door de oude, half opgeknapte dekenfabriek maar kwam je ook letterlijk met de wol, die onder je ogen tot een deken werd geweven, in aanraking. De voorstelling Grond (2004) begon ermee dat je als toeschouwer achter elkaar door donkere gangen liep en volledig gedesoriënteerd in een zaal terechtkwam waar je in het schemerdonker voorzichtig een plekje op de tribune mocht zoeken. Op de speelvloer lag een laag aarde van een halve meter dik, waaruit beide spelers, Boukje Schweigman en de bejaarde danser Jaap Flier, langzaam te voorschijn kwamen. In haar voorstellingen creëert Schweigman nieuwe werelden. Soms doet ze dat door de ruimte van de theaterzaal drastisch te veranderen, soms door een werkelijke ruimte tot een avontuur om te vormen. Op die manier biedt ze je als toeschouwer steeds een ervaring die je in het leven van alledag niet vindt.

Leeg en zwart

Ook in het werk van David Weber-Krebs wordt de ruimte in dienst gesteld van de verbeelding van de toeschouwer. In zowel de voorstelling In a land als in This performance werkte Weber-Krebs met een lege ruimte. Bij In a land (2003) werd bij aanvang een landschap vertoond op een scherm dat boven aan het plafond hing. In dat landschap stond een man met zijn rug naar de toeschouwer toe. Hij keek naar de horizon en het publiek keek over zijn schouder mee. De veertig figuranten die in het tweede deel van de voorstelling een voor een opkwamen, toonden datzelfde beeld. Na een tijdje het publiek te hebben ingekeken, draaiden ze zich om. Met hun rug naar de toeschouwer toe, nodigden ze het publiek uit mee te kijken naar een denkbeeldige horizon, in werkelijkheid de zwarte achterwand van de theaterzaal.

In This performance (2004) liet Weber-Krebs het toneel ook volledig leeg en zwart, op een kleine, witte speaker na die vooraan in het midden stond opgesteld. De speaker produceerde een vrouwenstem, die elke zin begon met ‘This performance is about…’. Alle nadruk lag op die teksten, maar de teksten gaven geen sluitend verhaal of betekenis. Na verloop van tijd bleken druppels water uit het plafond te vallen, die gaandeweg een plasje vormden. Ook langs de muur liep een stroompje water.

Weber-Krebs’ sterk conceptuele voorstellingen bevinden zich op de grens met performance en beeldende kunst. Je moet je verbeelding aan het werk zetten om verbanden en betekenissen te zoeken.

Openheid

Mime biedt vooral veel ruimte aan de verbeelding. Daarom komen veel nieuwe makers die een meer beeldende vorm van theater verkiezen boven een tekstuele vorm, uit bij een aan de mime verwante beeldtaal. De jonge regisseur Jetse Batelaan wordt door zijn tekstarme, beeldende voorstellingen vaak in de mimehoek geplaatst, hoewel hij van huis uit geen mimer is. Batelaan beeldt situaties zo uit dat uitleg niet nodig is en woorden overbodig zijn. In de voorstelling Pas als zaagsel krijgt een boom applaus zie je een circus waarin de leeuwentemmer van het ene op het andere moment stopt met leeuwen temmen. Het troostende kopje thee dat de clowns even later komen brengen, levert een scène op waarin de toeschouwer snapt wat er wordt verteld, zonder dat het hoeft te worden uitgelegd.

Zulke sterk beeldende momenten vind je ook in het werk van regisseur Gienke Deuten. In Iedereen houdt van die zoetigheid proberen een buurman en een buurvrouw ‘iets’ bij elkaar te vinden. Wat dat ‘iets’ is, is niet helemaal duidelijk. Maar daar gaat het ook niet om. Het gaat om de poging die ze ondernemen. En als ze dat ‘iets’ vinden op het moment dat ze in een regen van suiker samen een lied zingen, vertelt dat beeld zoveel, dat je eigenlijk precies weet wat dat ‘iets’ is.

Net als in het afstudeerproject Stilte ivm aanvang voorstelling van Anne van Dorp worden hier geen grote thema’s aan de kaak gesteld door grote verhalen te vertellen. Door de liefde voor het detail wordt ingezoomd op kleine gebaren en handelingen. Via deze kleine gebaren en handelingen wordt een openheid en oprechtheid getoond die niet alleen ontroering oproept maar ook een zekere troost in deze harde en snelle wereld.