Meer of minder utopie?

Wie zich ook maar op een of andere manier bezighoudt met utopie, kan niet om Utopia van Thomas More heen. Zeker niet het afgelopen jaar, waarin (naar aanleiding van het 500-jarig jubileum van de publicatie) zoveel over Utopia is geschreven. Bijvoorbeeld door filosoof Hans Achterhuis in zijn net verschenen Koning van Utopia en door Merijn Oudenampsen in de Groene Amsterdammer. Twee inspirerende publicaties die beide tot één slotsom lijken te komen: we willen meer utopie.Utopia van Thomas More verscheen in 1516. Merijn Oudenampsen beschrijft het in de Groene Amsterdammer als ‘de stichtingstekst van de utopische traditie’, een grondlegger van het genre. Het werk is lange tijd weggezet als gevaarlijk en totalitair, maar volgens Oudenampsen vindt de goede lezer in Utopia juist een ‘fenomenale ode aan de politieke fantasie’. In het boek beschrijft More het eiland Utopia. En dat klinkt goed: “In Utopia is sociaal-economische gelijkheid de norm aangezien er geen sprake is van privé-eigendom. Niemand komt om van de honger en er zijn geen daklozen. De bewoners van Utopia hebben een zesurige werkdag en iedereen kan het werk doen dat hem of haar het best ligt. Er zijn beperkte vormen van democratie: de bevolking is gerechtigd om een tirannieke heerser tot aftreden te dwingen. Er is onderwijs en zorg voor iedereen. Bovendien is er een officieel beleid van religieuze tolerantie.”[1] Maar dat heeft ook een keerzijde: de persoonlijke vrijheid is zeer beperkt, kinderen kunnen overgeplaatst worden voor een betere verdeling van het volk, vrije tijd is gereguleerd, vrouwen horen gedienstig te zijn aan hun man, het vuile werk wordt opgeknapt door slaven, verre landen worden desnoods met geweld gekoloniseerd.

Lange tijd werd gedacht dat More Utopia had geschreven als een serieuze blauwdruk van een ideale samenleving. Dat maakte dat bijvoorbeeld Hans Achterhuis zich in eerste instantie zeer ongemakkelijk voelde bij Utopia, maar ook bij de daaropvolgende utopische vergezichten. Naar zijn idee schetsten utopieën weliswaar een ideale samenleving, maar maakte de radicaliteit van de utopisten dat er vooral gevaarlijke situaties ontstonden. Immers, om tot de ideale situatie te komen, moest de huidige situatie worden afgebroken, desnoods met geweld. En iedereen die niet hetzelfde ideaalbeeld deelt, moet buiten spel gezet worden, waardoor het gevaar van dictatuur op de loer ligt.

Nieuwe inzichten
Blijkbaar heeft het jubileumjaar van Utopia gezorgd voor nieuwe inzichten. Naar het schijnt, moeten we het niet lezen als een serieuze blauwdruk van een ideale samenleving, maar als een politieke satire. Gezien de persoonlijke overtuigingen van More, die bijvoorbeeld als diepgelovig man zeer fel tegen godsdienstvrijheid was, schetst Utopia geen droombeeld, maar een nachtmerrie.

Merijn Oudenampsen licht dit in zijn artikel ‘500 jaar Utopia: de niet-bestaande plek’ in De Groene Amsterdammer uitgebreid toe. Om vervolgens uit te komen bij een pleidooi voor de herwaardering van de utopie:

“Ironisch genoeg is met de afwijzing van de utopie precies het tegenovergestelde gebeurd. We zijn terechtgekomen in een gesloten samen­leving. We leven in een maatschappij waar geen alternatieven meer zijn, waar in politiek opzicht weinig te kiezen valt. (…) De valse stelling dat het utopische denken inherent totalitair is, heeft lange tijd gefungeerd als een verbod om op groter abstractieniveau na te denken over wat voor samenleving we werkelijk willen. Nu er crisis heerst op zowel politiek, economisch als ecologisch vlak is het tijd om het gesprek over maatschappelijke alternatieven gezamenlijk weer aan te gaan. Al vijfhonderd jaar nodigt Utopia ons uit om onze politieke verbeelding aan het werk te zetten, zonder daarbij het gevoel voor humor te verliezen. (…) Is Utopia een gesloten blauwdruk? Welnee, het is een uitbundige viering van de politieke fantasie. Een aanmoediging tot verbeelding en kritische reflectie over de ideale samenleving.”

Ook Hans Achterhuis werpt naar aanleiding van het jubileumjaar een nieuwe blik op Utopia in zijn recente publicatie Koning van Utopia. Nieuw licht op het utopisch denken. Hij heeft zich nader verdiept in het leven en de overtuigingen van Thomas More en diens Utopia. Een en ander leidt niet alleen tot een andere waardering voor Utopia, maar voor utopisch denken in het algemeen. Waar hij eerst alleen het gevaar ziet van de radicaliteit van utopisten, ziet hij nu de noodzaak om te kunnen fantaseren over mogelijkheden. Hij pleit daarbij “voor een visie die enerzijds gericht is op de toekomst en anderzijds inspiratie biedt uit het verleden”. In plaats van het gewelddadig vernietigen van de bestaande situatie, zou ‘trouw aan traditie’ juist een plek moeten krijgen in het denken over de toekomst. Daarvoor introduceert hij de ‘utopische meent’, als “de aangewezen plek om de wereld een beetje beter te maken – met het oog voor traditie, op lokaal niveau – en tegenwicht te bieden aan de alomtegenwoordige vrije markt”.

Meer utopie!

Is het dan weer done om utopisch te denken? Is de utopie hot? Zeker nu zelfs de kritische Achterhuis een hernieuwde waardering heeft gevonden voor utopisten en dromers? Ook nu ik zelf door onze theatermakers werd teruggefloten. Mijn aanvankelijke cynisme en pragmatische terughoudendheid over New Babylon bijvoorbeeld werd gepareerd met een volmondig: ‘we moeten juist groot dromen!’. Meer utopie! Dan gaan we dat regelen….

[1] ’500 jaar Utopia: De niet-bestaande plek’, Merijn Oudenampsen. In: De Groene Amsterdammer, woensdag 7 september 2016