Mime integreert in andere podiumkunsten (terugblik 2009-2010)

 

(eerder verschenen in TM, september 2010)

Steeds meer toneelgezelschappen rekenen mimespelers onder hun casts, en duidelijk met succes: toneelvoorstellingen met mimers slepen de ene na de andere prijsnominatie in de wacht. Mimespelers worden binnengehaald om het toneel een impuls te geven. Maar waar zijn de mimemakers en de mimegezelschappen gebleven, met hun uitblinkende producties?

De mimefan bevindt zich in een lastig parket. In een dilemma tussen loyaliteit ten opzichte van een theatervorm die je met een enkel beeld kan doen lachen en huilen tegelijkertijd en de kritische constatering dat opnieuw een seizoen voorbij ging waarin weinig spectaculairs te beleven was. Wat is er aan de hand met de mime, ooit zo bekend om zijn vernieuwende en anarchistische karakter?

Het aanstormend talent van een aantal jaar terug vormt inmiddels de nieuwe gevestigde orde. De makers hebben hun signatuur ontwikkeld en hun voorstellingen bewegen zich binnen een bekend geworden theatertaal. Daardoor is het mogelijk te spreken van ‘typisch Bambie’, ‘typisch Kassys’, ‘typisch Golden Palace’, ‘typisch Jakop Ahlbom’, ‘typisch Boogaerdt en Van der Schoot’ en zelfs ‘typisch Boukje Schweigman’.

Voor de duidelijkheid, daar is helemaal niets mis mee. Een dergelijke ontwikkeling maakt deel uit van de natuurlijke dynamiek in elk kunstenveld. Sterker nog, je zou je zorgen gaan maken als makers na tien jaar werken nog steeds een beetje aan het rommelen waren. Volwassen worden is niet erg. Het betekent het kunnen vasthouden van een constante artistieke kwaliteit en het opbouwen van een steeds groter publiek.

Daarbij moet niet al te krampachtig worden vastgehouden aan het credo ‘vernieuwing’. Dat is achterhaald, oneerlijk en naïef. Elke keer het wiel opnieuw uitvinden om tot een nieuwe theatertaal te komen is artistieke kapitaalvernieting.

Daar staat wel tegenover dat het de gezondheid van een sector ten goede komt als zo nu en dan de boel wordt opgeschud. Vaak gebeurt dat met de komst van een nieuwe generatie die vrij van (financiële) verantwoordelijkheden en met een verse blik, onstuitbare energie en een zekere artistieke doodsverachting alle theatrale regels op de proef stelt en, indien nodig, aan haar laars lapt. Ook dit is een onrealistische verwachting. Net zoals het niet eerlijk is van ervaren makers een continue vernieuwing te verlangen, is het niet fair de verantwoordelijkheid voor een artistieke bloei bij beginnende makers te leggen.

Toneel

Maar waar ligt de terugval van de mime dan wel aan? Zijn er ontwikkelingen in het mimeveld aan te wijzen die de laagconjunctuur van de hedendaagse mime kunnen verklaren?

De mime heeft altijd al moeilijkheden ondervonden om zichzelf zichtbaar te maken. Het gegeven dat mimemakers werken vanuit hun eigenheid en ook andere disciplines in hun werk integreren, maakt van de mime een kunstvorm die zó divers is, dat lastig valt te duiden wat de mime nu eigenlijk is. Daarbij komt dat in de afgelopen jaren steeds meer regisseurs beeldend zijn gaan werken. Theatermakers als Lotte van den Berg en Jetse Batelaan maken voorstellingen waarin meer dan eens mimers te zien zijn, simpelweg omdat mimespelers passen bij de manier van werken en de theatertaal van deze regisseurs. Met als resultaat dat het mimecircuit zich steeds meer over verschillende toneelgezelschappen verspreidde.

Mimers waren in theaterzalen in het hele land te zien. Zo heeft Toneelgroep Oostpool onder leiding van Marcus Azzini en Erik Whien een mooi tableau opgebouwd met spelers van diverse achtergronden, onder wie een aantal mimespelers. Bas van Rijnsoever speelde in Er moet licht zijn, Bianca van der Schoot schitterde in Van de brug af gezien en Marc Stoffels was te zien in Orlando. De Veenfabriek werkte samen met studenten van de Mimeopleiding in De City en met Marien Jongewaard/Nieuw West in Kokoschka live!, dat geselecteerd is voor het Theaterfestival in Vlaanderen. Het Ro Theater werkte met mimespelers als René van ’t Hof, Willemijn Zevenhuijzen (BOE!) en Yahya Gaier (Branden, Koning Lear). Bij Theatergroep MAX zijn al sinds jaar en dag mimespelers te vinden. En met succes. Het Geheven Vingertje sleepte met een volledige mimecast bestaande uit Marien Jongewaard, Willemijn Zevenhuijzen, Tjebbe Roelofs en Bianca van der Schoot nominaties binnen voor de Gouden Krekel en de VSCD Mimeprijs, en werd geselecteerd voor het Theaterfestival Vlaanderen én het Nederlands Theater Festival. Voor zijn rol in Toneel (MAX) en De Binnenkomst (Bellevue Lunchtheater) werd René Geerlings genomineerd voor de VSCD Mimeprijs.

Het gaat dus juist heel goed met de mime. Over de mimespelers hoeven we ons in elk geval geen zorgen te maken. Over de mimemakers daarentegen wel.

Geen werkplaats

De ontwikkeling van iedere maker begint op de opleiding. De Mimeopleiding aan de Amsterdamse Theaterschool leidt zowel makers als spelers op, wat inhoudt dat studenten vaardigheden van beide ambachten meekrijgen en in de loop van hun studie kiezen voor een van de twee trajecten. Natuurlijk is het onmogelijk na vier jaar opleiding als volleerd theatermaker de school uit te rollen. Toch biedt het festival Playtime, waarin de vierdejaars studenten hun afstudeerwerk presenteren, jaarlijks een goede eerste kennismaking met de nieuwe lichting. Tijdens Playtime 2010 werd duidelijk dat de zojuist afgestudeerde mimers nog wel het een en ander hebben uit te zoeken. Het afstudeerwerk intrigeert door eigenzinnigheid en originaliteit, maar roept tegelijkertijd de nodige vragen op. Het toont een generatie die nog niet de dramaturgische tools heeft om haar publiek te overtuigen. En dat geldt niet alleen voor deze lichting: ook mimers die nu een aantal jaar van de opleiding zijn, lijden nog aan dit euvel in hun eerste voorstellingen.

De tweede stap in de loopbaan van iedere theatermaker is, door de Basisinfrastructuur, noodgedwongen de werkplaats of het productiehuis. Hier kan de beginnende maker zijn eigen theatertaal verder ontwikkelen en kan hij doorgroeien. In Nederland is er een werkplaats die zich specifiek richt op de mime: het Veemtheater. Het enige andere productiehuis dat zo nu en dan mimemakers onderdak biedt, is Frascati WG. Waarom is dat? Weten de mimers hun weg naar de productiehuizen niet te vinden? Wijzen de productiehuizen de makers af omdat ze niet voldoende in staat zijn plannen te ontwikkelen of omdat hun kwaliteit achterblijft? Of lijven de productiehuizen de mimers niet in omdat ze vinden dat het Veemtheater dat moet doen, terwijl de ontwikkeling van de afgelopen decennia de mime juist meer en meer integreert met de rest van de podiumkunsten? Hoe wordt de mime geacht zich verder te ontwikkelen als beginnende makers nauwelijks de gelegenheid krijgen om te produceren, vooral sporadische adhoc festivalvoorstellingen maken en (enkele uitzonderingen daargelaten) niet een langer traject kunnen doorlopen? Hebben makers misschien zelf een voorkeur voor korte festivalprojecten zodat ze het maken makkelijk kunnen combineren met het zelf spelen? Of omdat ze een langer traject niet aandurven? En hoe komt het dat de doorstroming van makers van de productiehuizen naar de gezelschappen, waarvoor toch de Basisinfrastructuur is ingevoerd, wat de mime betreft een droom is gebleven?

Pareltjes

Was het dan allemaal huilen met de pet op in de mimesector dit jaar? Welnee. Er waren genoeg pareltjes te zien. Zo maakte Jochem Stavenuiter van Bambie samen met Ira Judkovskaja bij Tryater het mooie, beeldende Fan de stêd en it libben (Van de stad en het leven), terecht genomineerd voor de AVRO Toneel Publieksprijs. En Sanne van Rijn, Magne van den Berg, René Geerlings en Esther Snelder maakten de aangrijpende Bellevue-productie De Binnenkomst of je gaat tenslotte weer naar huis. Schwalbe bracht met Op eigen kracht na het indrukwekkende Spaar ze alle negen opnieuw een gezamenlijke, eigenzinnige performance bij Omsk. Bannelingen van Sarah Ringoet bij Melkweg Producties was een krachtige en tegelijk aandoenlijke voorstelling over vijf individuen die, ondanks hun verwoede pogingen, niet in staat zijn nader tot elkaar te komen. Floor van Leeuwen en Bas van Rijnsoever (MTGBlont) maakten met Zonder zwaartekracht draagt men niets bij Theater Ins Blau een aangrijpende performance over de bereidheid om elkaar te dragen ook als dat eigenlijk niet meer is vol te houden. En Boogaerdt en Van der Schoot sloten het seizoen af met de indrukwekkende performance Bimbo in Frascati WG, waarin vier vrouwen (Suzan Boogaerdt, Bianca van der Schoot, Floor van Leeuwen en Marie Groothof) hun eigen lichaam in de strijd gooien om op indringende wijze voelbaar te maken hoe verontrustend afstompend de alomtegenwoordigheid van seksuele uitingen is.

Valt u misschien iets op aan dit lijstje? Ik som nog eens op: Tryater, Melkweg Producties, Bellevue Lunchtheater, Theater Ins Blau, Omsk. Al deze voorstellingen, met uitzondering van Bimbo, werd buiten het ‘geijkte’ mimecircuit uitgebracht. Wat iets zegt over zowel de stand van zaken in dat geijkte mimecircuit als de verdergaande integratie van mime in de podiumkunsten.

Pleidooi?

Het is niet de bedoeling de noodklok te luiden voor de mime. Evenmin om te pleiten voor een hernieuwde segregatie van de mime. We hoeven niet terug naar hokjesdenken en we hoeven geen groot hek om de discipline heen te zetten om de mime te beschermen. De tendens laat zien dat mime steeds meer integreert met andere kunstvormen en dat komt de gehele podiumkunsten ten goede.

Maar het is wel de bedoeling om te pleiten voor de erkenning van de mime als een belangwekkend veld op zich. De mime heeft al jaren een grote invloed op de podiumkunsten. Tot nu toe is dat steeds via de mimemakers verlopen, die zich met hun mimegroepen een plek verwierven in het theaterveld. Op dit moment is de tendens dat de mime zich meer via de spelers laat zien. Up en downs komen in elke sector voor. Dat de spelers het nu zo goed doen, toont alleen maar aan dat de vaardigheden van de mimespelers aansluiten bij de opvattingen van (een deel van) de hedendaagse regisseurs.