Mime sluit aan bij kijkbeleving van de jeugd

De mime dringt de laatste jaren opvallend door tot het jeugdtheater. Hoe laat zich dat verklaren? Ligt het aan de prominente plek van beeld in de huidige cultuur? Komt het doordat we, mede door de opkomst van internet, fragmentarisch in plaats van lineair zijn gaan kijken? Of komt het door bepaalde trends dat aan oprechtheid en authenticiteit meer belang worden toegekend? In gesprek met artistiek leiders Moniek Merkx (Maas theater en dans), René Geerlings (BonteHond) en Elien van den Hoek (Het Houten Huis).

eerder verschenen in Theatermaker, april 2014

Er is onmiskenbaar iets gaande tussen de mime en het jeugdtheater. Kwamen de afgelopen jaren al steeds meer spelers met een mimeachtergrond terecht in toneel, dans en jeugdtheater, nu zijn er ook drie theatermakers met grote affiniteit met de mime begonnen als artistiek leiders bij jeugdgezelschappen. René Geerlings bij BonteHond, Elien van den Hoek bij Het Houten Huis en Jetse Batelaan bij Theater Artemis. Moniek Merkx, regisseur met een grote affiniteit met mime, werkt al langer samen met mimespelers, eerst bij Theatergroep Max en nu bij Maas theater en dans.

Alledrie kozen Merkx, Geerlings en Van den Hoek vrij bewust voor de mime, maar het jeugdtheater kwam bijna bij toeval op hun pad. Hun keuze voor de mime kwam voort uit hun liefde voor de beeldende en fysieke stijl en hun voorkeur om vanuit improvisatie en eigenheid te werken. Bij Merkx en Van den Hoek bleek gaandeweg dat hun voorstellingen goed aansloten bij een jonge doelgroep. Van den Hoek: ‘Tijdens de toneelschool ben ik steeds meer opgeschoven naar beeldend theater. Ik was best geschrokken van hoe nauw daar gewerkt werd, terwijl ik van mijn jeugdtheaterschool gewend was beeldend, fysiek en vanuit improvisatie te werken. Samen met klasgenoot Boukje Schweigman ben ik toen een oriëntatiecursus bij de mimeopleiding gaan doen. Het was een verademing om weer te werken vanuit het lichaam, het beeld en het detail. Pas in mijn laatste jaar op de toneelschool maakte ik iets waarvan werd gezegd dat het voor kinderen was.’

Merkx werkte als regisseur al met groepen met een uitgesproken fysieke en beeldende stijl, zoals Suver Nuver en Alex d’Electrique. Ook gaf ze les aan spelers op de mimeopleiding. Dus toen ze bij Theatergroep Max begon (een van de voorlopers van het huidige Maas theater en dans), lag het voor de hand dat ze met mimespelers bleef werken. René Geerlings was een van hen. Hij speelde de afgelopen jaren zowel in jeugdtheatervoorstellingen als in theater voor volwassenen. Die breedte beviel hem goed, totdat jeugdtheatergezelschap BonteHond hem met de vraag het artistiek leiderschap op zich te nemen verleidde om zich te verdiepen in het jeugdtheaterveld.

Associatief

De opkomst van de mime in het jeugdtheater is volgens Merkx, Geerlings en Van den Hoek niet los te zien van een aantal trends die zich ook in het theater voor volwassenen aftekenen. Het gegeven dat beeld een steeds prominenter rol krijgt in onze cultuur, het feit dat we mede door de opkomst van het internet meer fragmentarisch dan lineair zijn gaan kijken, de toenemende waardering voor authenticiteit; het zijn belangrijke veranderingen die zich op vele terreinen in de maatschappij doen gelden. De mime, met zijn beeldende en associatieve kwaliteiten, sluit hier goed bij aan (of is er zelf een exponent van). Dat toont zich al in de toename van mimespelers bij verschillende grotere gezelschappen, zoals Suzan Boogaerdt en Bianca van der Schoot bij Toneelgroep Oostpool, Jochem Stavenuiter bij het Noord Nederlands Toneel en Yahya Gaier bij het Ro Theater (waaraan eerder ook Jetse Batelaan al was verbonden). En laten die kwaliteiten van de mime nu ook nog eens bijzonder goed aansluiten bij de wijze van kijken en beleven bij kinderen.

‘Bij Artemis en Max kon ik al werken met een fragmentarischer, associatiever manier van verhalen vertellen,’ vertelt Merkx. ‘Kinderen hoeven niet per se van A via B naar C. Hun beleving is associatiever.’ Dat is van alle tijden, maar de multimediale wereld van nu sluit daar nog eens bij aan. Merkx: ‘Er wordt ten onrechte vaak badinerend gesproken over de zapcultuur. Het is een andere manier van kijken. Mensen die associatief denken zien verbindingen die lineair denkende mensen niet herkennen. Ik verbaas me er nog wel eens over hoe moeilijk dat is voor “conventioneel” kijkende mensen. Kinderen kijken niet conventioneel. Die hebben nog geen traditie. Misschien vond ik daarom in het jeugdtheater wel een vrijplaats, omdat ik me daar meer kan permitteren dan ergens anders.’

Daarin schuilt een verschil tussen theater voor kinderen en theater voor volwassenen, merkt Geerlings op. ‘Naarmate je ouder wordt, maak je meer aannames en vind je het moeilijker die los te laten.’ Van den Hoek: ‘Jeugdtheater is volgens mij zelf minder traditioneel en staat daarom meer open voor nieuwe stromingen. Bij grote gezelschappen heerst er misschien meer een idee van “hoe het hoort”. Daar worden dan de artistiek leiders bij gekozen en verandert het dus ook niet zo snel richting beeldend theater.’

Gevoelslogica

Nog los van de associatieve manier van kijken maakt ook het beeldende karakter de mime geschikt voor het jeugdtheater. Van den Hoek: ‘Ik probeer vaak de innerlijke weg van een personage of meerdere personages te verbeelden. Dat kan met taal, maar het past mij beter het in beeld te doen. Dat werkt directer. Om tekst te begrijpen, moet je goed zijn met taal. In beeldende voorstellingen kun je soms iets niet begrijpen maar wel aanvoelen. Die gevoelslogica spreekt mij aan.’

Bovendien merken Merkx en Geerlings dat kinderen steeds minder talig zijn. Zeker in de Randstad, waar het aandeel allochtone kinderen groter is, wordt beeld beter opgepikt dan taal. ‘Daarbij,’ merkt Geerlings op, ‘krijgen kinderen veel prikkels door televisie en internet. Alles gaat sneller. Aandacht opbrengen voor “een pratend hoofd” wordt steeds moeilijker.’ Van den Hoek merkt dat het desondanks wel mogelijk is die aandacht te krijgen. ‘Wij maken vrij stille voorstellingen. In het begin hadden we geen idee of dat wel zou werken voor kinderen, maar we merkten dat juist onze keuze om de focus op een detail te leggen en daarmee de kinderen ertoe te brengen ergens langer bij stil te staan erg gewaardeerd wordt.’

Authentieke speelstijl

Volgens Merkx en Van den Hoek nemen mimespelers onmisbare kwaliteiten mee, zoals het vermogen om vanuit improvisatie te werken en om dicht bij hun persoonlijkheid te blijven. Van den Hoek: ‘Doordat mimespelers getraind zijn om fysiek en ook nog eens gedetailleerd te werken, zijn ze heel sterk in non-verbale communicatie. En het feit dat ze werken vanuit improvisatie en uit liefde voor beeldende poëzie maakt dat ze heel goed passen bij mijn manier van werken.’

‘Ik merk dat kinderen gevoelig zijn voor de echtheid van mimespelers,’ vult Merkx aan. ‘Theater is live. Je moet je kunnen verbinden met de mensen die op het podium staan. Mimers durven dichter bij zichzelf te blijven, maar durven ook daarbinnen op zoek te gaan naar extremen. Omdat zij gewend zijn niet vanuit een bestaande tekst te werken maar vanuit improvisatie vallen zij meer samen met wat ze doen op het podium. Door hun fysieke training hebben ze minder nodig om iets te maken, maar kunnen ze ook “gewoon zijn”.’

Dat kinderen belang hechten aan authenticiteit in het spel ondervond Geerlings zelf aan den lijve. ‘De eerste keren dat ik voor kinderen speelde, was ik stiknerveus. In theater voor volwassenen krijg je zelden een directe reactie uit het publiek. In jeugdtheater speel je echt een wedstrijdje. Als je niet in contact staat met je publiek, zul je dat meteen merken. Je kunt het je niet permitteren om niet in het hier-en-nu te zijn of om op routine te varen, zoals je in het volwassenentheater soms nog wel kunt doen. Kinderen laten niet met zich sollen. Als je bijvoorbeeld een prijs hebt gewonnen, zullen volwassenen dat meenemen in hun kijken. Zij zijn gevoelig voor de status. Maar kinderen zal het worst wezen. Bovendien zijn er in het jeugdtheater grote verschillen in publiek: kinderen van vier jaar reageren heel anders dan kinderen van acht. En kinderen uit een dorp in Groningen weer anders dan die uit Rotterdam. Je moet altijd scherp blijven. Dat is heel fijn, want het is altijd heel eerlijk.’

Toekomst

Wat zegt de opkomst van de mime in het jeugdtheater dan over de opkomst van de mime in andere disciplines? Geerlings: ‘Het is kenmerkend voor deze tijd dat er een nieuwe generatie opstaat die zich sterk door mime voelt aangetrokken. We hebben er hard voor moeten vechten om die plek te bemachtigen, maar mimespelers worden steeds meer serieus genomen. Net zoals het jeugdtheater steeds meer serieus wordt genomen.’

‘Ik vind het logisch dat de mime zich buiten de eigen discipline ontwikkelt,’ merkt Merkx op. ‘De toekomst ligt volgens mij bij de mime. Ik vind het zo stoer dat die mimers, met prijzen en aanstellingen bij gezelschappen, erkend en gezien worden. Ook van de opleidingen in Utrecht en Maastricht zie je meer en meer fysieke acteurs komen. Natuurlijk blijven zaken als tekstbehandeling en stem belangrijk, maar het lichaam wordt voor acteurs steeds belangrijker. Dat klopt ook beter bij deze tijd.’