René van ’t Hof: ‘Komedie, ik vind het een verschrikkelijk woord’

(eerder verschenen in TM, oktober 2007)

Hij stond aan de wieg van Carver, speelde jarenlang bij het gezelschap maar nam met de voorstelling Zuur met pijn in het hart afscheid van dat theaterhuwelijk. Voor zijn rol in Vallende Ster bij het Onafhankelijk Toneel won hij de VSCD Mimeprijs 2007. Deze maand maakt hij zijn opwachting in de grote zaal als Oblomovs bediende Zachar bij Het Zuidelijk Toneel.

Misschien iets met een bed verschuiven. Of dekens opschudden. Of een trap opklimmen. Of een jas ophangen. Volgens acteur/mimespeler René van ’t Hof (1956) zijn er genoeg mogelijkheden tot improvisatie en het ontwikkelen van kleine ‘acts’ binnen Oblomov van Het Zuidelijk Toneel, waarin Van ’t Hof de bediende Zachar speelt. Je ziet het al meteen voor je. Een wat vieze en luie bediende die een jas aanneemt, er misschien wat misprijzend naar kijkt of met een blik van ‘wat moet ik ermee?’ naar de kapstok schuifelt, het lusje zoekt, niet kan vinden, uiteindelijk de jas dan maar aan de kraag ophangt, waardoor de jas van de kapstok valt. De bediende ziet de jas op de grond, kijkt er even naar en besluit vervolgens de jas dan maar lekker te laten liggen. De acteur die nog steeds wordt geassocieerd met het eten van een gevulde koek, zal ook zonder al te veel moeite het ophangen van een jas minutenlang kunnen rekken.

Tragiek

Die legendarische scène met de gevulde koek komt uit Café Lehmitz, de voorstelling waarmee Carver in 1991 bekendheid verwierf. Carver werd in 1989 opgericht door René van ’t Hof, Beppie Melissen en Leny Breederveld, die elkaar nog kenden van Theatergroep Carrousel. In 1989 maakten zij hun eerste voorstelling, Carver, verplaatst u zich eens in mij, gebaseerd op verhalen van de Amerikaanse schrijver Raymond Carver. De tweede voorstelling Café Lehmitz was een schot in de roos en leverde de Mimeprijs en de Dommelsch Theater Prijs (publieksprijs) op. Sindsdien was Carver niet meer weg te denken uit het Nederlands theater en mocht de groep regelmatig op volle zalen rekenen. Carver stond bekend om haar zoektocht naar de combinatie tussen humor en tragiek. Voorstellingen als Fred, De verbouwing, Onbegonnen Werk of (de laatste voorstelling) Zuur toonden alledaagse mensen in hun alledaagse worstelingen met het leven. Hun onvermogen en onbeholpenheid was tegelijkertijd grappig en ontroerend.

Tenminste, zo was de bedoeling. Een veelgehoord probleem bij de voorstellingen van Carver was dat niet het gehele publiek in de zaal de tragiek van de onbeholpen personages aanvoelde. Toeschouwers hadden de neiging om over de ontroerende momenten heen te lachen, uit een soort vastberadenheid om wat dan ook grappig te vinden. Van ’t Hof erkent dat het soms uitgelaten gedrag van het publiek frustrerend was. ‘Dinsdag en woensdag waren de leukste voorstellingen, op donderdag begon je het al te merken en zaterdag was het mis. Soms vraag je je af hoe mensen zo hard kunnen lachen om die tragische momenten. Waar kijken die mensen dan naar? We werden er soms helemaal gek van. Je gaat er ook geïrriteerd van spelen. Maar wat kun je eraan doen?’

Hoe streng Melissen, Breederveld en Van ’t Hof ook waren voor elkaar en de gastspelers, hoeveel rust en stilte ze ook poogden te creëren, hoeveel ze ook op de details hamerden, niets leek te werken. Er moest en zou gelachen worden. Terwijl het zoeken naar het tragische in de humor en het humoristische in de tragiek voor Van ’t Hof van wezenlijk belang is in theater. De hardnekkige scheiding tussen komedie en drama zoals die bij acteurs nog steeds bestaat, bezorgt hem kippenvel. ‘Komedie, ik vind het een verschrikkelijk woord. Het gaat niet om komedie. Het gaat om wie die mensen zijn. Je moet zorgen dat het personage zichzelf heel serieus neemt. Dat kan dan heel geestig zijn, maar ook heel mooi en triest. De grappen die daar eventueel uit voortvloeien, kunnen het dramatische verlichten. Dan lopen drama en komedie naadloos in elkaar over.’ In een kleine demonstratie toont Van ’t Hof hoe hij het ene moment nog treurig in een kopje kan roeren en hoe het onhandig en stuntelig laten vallen van het lepeltje op het volgende moment een humoristische verlichting kan opleveren.

Het heeft volgens Van ’t Hof alles te maken met oprecht zijn. Alles wat je doet, elke handeling, elke zin, of die nou grappig of treurig is, moet van binnenuit komen. Een van buitenaf opgeplakt ‘grappig-willen-zijn’ is uit den boze. ‘Wat niet wil zeggen dat het niet ook groot of grotesk kan zijn in het spel. Ook dan kan de binnenkant, de intentie waarmee je speelt, heel mooi en zuiver op de graat zijn.’

Afscheid

In 2004 vertrok René van ’t Hof bij Carver. Na vijftien jaar was de artistieke samenwerking op. De laatste voorstelling was Zuur, waar de langgekoesterde wens om met Joop Admiraal te werken eindelijk uitkwam. ‘Zelf vind ik Zuur een van onze mooiste voorstellingen. Het was een spannende, zogenaamd niksige voorstelling, die ogenschijnlijk helemaal stil stond. Het zag er zo simpel uit, maar dat was verraderlijk. Zuur was een ongelooflijk precieze voorstelling. Voor mij was het bovendien heel mooi dat deze voorstelling teruggaat naar het begin, naar Café Lehmitz. Beide voorstellingen spelen zich af in een café, maar zijn totaal anders. Dat was een mooie manier van afscheid nemen.’

Het afscheid viel hem zwaar, vertelt de acteur. ‘Je weet dat zoiets waarschijnlijk nooit meer voorkomt in je leven. Je zou zo graag terug willen naar hoe het was, je houdt je vast aan een verleden waaraan je zoveel herinneringen hebt, maar tegelijkertijd weet je dat het nooit meer zo zal worden.’ Zuur ervoer hij dan ook als een laatste vakantie, terwijl je al weet dat je uit elkaar gaat. Daarna viel hij in een gat. ‘In de periode dat ik net bij Carver weg was, had ik helemaal geen zin meer om iets te doen. Ik wist niet meer wat ik wilde. Als je vijftien jaar met elkaar werkt – en daarvoor eigenlijk ook al zeven jaar bij Carrousel – dan voelt het als een huwelijk dat ophoudt. Dat heeft ongeveer een jaar geduurd. Toen kwam het langzaam weer terug. Eigenlijk merk ik pas dit laatste jaar dat ik er afstand van kan nemen en ervan loskom.’

Mimeprijs

‘Doordat je leven op een ander spoor komt, kun je ook weer nieuwe dingen ontdekken.’ Zoals bij de voorstelling Vallende Ster die Van ’t Hof, samen met Mirjam Koen en Gerrit Timmers, het afgelopen seizoen bij het Onafhankelijk Toneel maakte. Van ’t Hof kent Koen en Timmers al lange tijd. Mirjam Koen regisseerde een groot aantal voorstellingen bij Carver, waaronder Café Lehmitz. Met Gerrit Timmers, behalve regisseur ook acteur en decorontwerper, had hij nog nooit gewerkt. ‘Het klikte tussen ons heel goed. Dat weet je niet van tevoren. We konden alles ook heel makkelijk bij elkaar zetten. Dat was bijzonder.’

Vallende Ster vertelt het verhaal van Wim Witteman, een variétéartiest die op latere leeftijd ontdekt wordt door ‘het grote toneel’. In de laatste uren van zijn leven blikt hij terug en komen herinneringen tot leven. In een decor dat bestaat uit overweldigend grote coulissen lijkt Van ’t Hof maar een klein mannetje. Vanuit die coulissen komen televisieschermen tevoorschijn waarop de andere personages (moeder, vader, ex-collega) te zien zijn. Allen gespeeld door Gerrit Timmers, vanuit een kleine studio in een van de coulissen.

‘Mirjam Koen wilde al heel lang met mij een voorstelling maken. Haar idee was dat ik alleen op een kaal toneel zou staan. Dat was alles, verder hadden we nog niets. Toen Gerrit Timmers Vallende ster van Bernlef las, viel alles op zijn plek. Het proces is heel organisch verlopen. Verdacht rustig eigenlijk. ’s Avonds spraken Gerrit en ik af welke pagina’s we de volgende dag zouden doen. Daar maakten we allebei een eigen versie van en repeteerden die. Vervolgens lieten we beide versies aan Mirjam zien. Zij heeft uiteindelijk alles in elkaar geschoven.’

De VSCD Mimeprijs 2007 viel hem, terecht, voor deze rol ten deel. Het juryrapport schreef: ‘Het is hem met zijn grote ervaring gelukt om deze dragende rol met veel liefde en aandacht vorm te geven. Met zijn aandacht voor detail, fabelachtige timing en door subtiel te schakelen, is hij in staat het spanningsveld tussen de virtuositeit van een variétéartiest en de desoriëntatie van een afasiepatiënt te tonen.’ 

In Vallende Ster is René van ’t Hof voor het eerst alleen op het toneel te zien in een dragende rol, in tegenstelling tot de periode bij Carver waar steeds tenminste drie mensen op de vloer stonden. ‘Maar het is niet zo dat ik bang ben om alleen op het toneel te staan.’ Bovendien, vertelt Van ’t Hof, ervoer hij de voorstelling niet als een solo. Gerrit Timmers was er immers ook altijd bij. Achter de schermen weliswaar, waardoor ze elkaar gedurende de voorstelling niet konden zien. Maar toch werd het door Timmers’ aanwezigheid een tweespel.

Grote zaal

De theaterloopbaan van René van ’t Hof heeft nu dan een verrassende wending genomen: een mimer die de overstap maakt naar het repertoiretoneel in de grote zaal. Vanaf oktober zal hij te zien zijn in Oblomov bij Het Zuidelijk Toneel. Het besluit van Van ’t Hof om mee te doen berust niet op ambitie of honger naar het grote toneel. Toen regisseur Matthijs Rümke van Het Zuidelijk Toneel hem vroeg voor de rol van Zachar zag het er nog naar uit dat Oblomov een montagevoorstelling zou worden, ontstaan uit improvisaties op thema’s als luiheid en verveling en op de verhouding tussen meester en knecht, waarbij Bert Luppes de rol van Oblomov zou vertolken. Luppes was als acteur ook betrokken bij Carver, verplaatst u zich eens in mij, aan het allereerste begin van Carver. Samen speelden zij in 1994 De Dresser bij het Onafhankelijk Toneel, een voorstelling over de verhouding tussen een acteur en de man die hem kleedt.

Het idee van Oblomov een montagevoorstelling te maken, is inmiddels van de baan. De makers werken nu vanuit de tekst van Franz Xaver Kroetz. Het stuk doorlezen aan een lange tafel met een grote groep acteurs is voor Van ’t Hof geen gebruikelijke werkwijze, maar hij heeft geen bezwaren tegen de gewijzigde plannen. Er zal voldoende ruimte overblijven voor improvisatie in zijn invulling van Zachar en hij heeft alle vertrouwen in de voorstelling. Er zijn weinig ego’s die de samenwerking verpesten. ‘Ik werk met mensen die allemaal graag willen en benieuwd zijn naar wat eruit gaat komen. Oblomov kun je op vele manieren benaderen en iedereen heeft daar zijn eigen ideeën over. Daar wordt veel over gesproken.’ En belangrijker nog: ‘Ik vind het gewoon aardige mensen; er is een goede chemie.’

Die chemie is voor Van ’t Hof van wezenlijk belang. Meer dan spelen in grote zalen en werken met grote acteurs, is de chemie een noodzakelijke voorwaarde voor een goede samenwerking. Net zoals hij het menselijke in personages, ook als zij ronduit clownesk zijn, vooropstelt, zo komen voor hem ook de mensen met wie hij werkt op het eerste plan. ‘Theater is een kwetsbaar beroep. Als ik een aanbod krijg voor een stuk met mensen met wie ik eigenlijk niets heb en bij wie ik me niet thuis voel, dan doe ik dat gewoon niet.’ De club moet kloppen.

www.hzt.nl