Sanne van Rijn:‘Kunst heeft baat bij eenvoud en precisie’

 (eerder verschenen in TM, september 2010)

Na een aantal jaar bij ZTHollandia en NTGent en tournees door heel Europa is theatermaakster Sanne van Rijn (1971) weer thuis in Amsterdam. Een thuiskomst die meteen werd bekroond: de voorstelling De binnenkomst of je gaat tenslotte weer naar huis die ze met Magne van den Berg, René Geerlings en Esther Snelder maakte bij Bellevue Lunchtheater werd genomineerd voor de VSCD Mimeprijs.  

Van Rijn begon haar loopbaan in het klassiek ballet en de fotografie en volgde vervolgens de opleiding Beeld en Geluid aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Op uitnodiging van Paul Koek kwam ze bij ZTHollandia en maakte daar onder andere Zwanenmeer en Vormsnoei. Daarna vertrok ze met Johan Simons naar NTGent, waar ze Ik wil dat jij een beer wordt en Über maakte.

Sanne van Rijn vaart wel bij diversiteit. Dans, fotografie, theater, ze doet het allemaal graag. En blijkt er ook nog eens talent voor te hebben. Toch is theater het expressiemiddel dat het beste bij haar past. Van Rijn: ‘Ik werk graag met tijd en ruimte. De complexiteit van al die elementen die in theater samenkomen vind ik interessant. Alles wat ik leuk vind, kan ik kwijt in theater. Het is heerlijk – en afschuwelijk tegelijk – om elke keer die puzzel kloppend te krijgen.’

Bij De binnenkomst of je gaat tenslotte weer naar huis bestaat die puzzel uit de kale ruimte, de extreme tekst, de groteske schmink, het uitvergrote spel. De mimejury liet zich dan ook lovend uit over de geslaagde synthese van tekst, spel, muziek, regie en scenografie. ‘Het is theater dat schreeuwt dat het theater is; het stelt zich aan, het irriteert, het ontroert, het is gestileerd, het vervreemdt, het is raar. En het raakt heftig,’ vermeldt het juryrapport, dat de voorstelling benoemt als ‘een krachtige vorm van mime’. ‘Het gezegde krijgt pas betekenis door het ongezegde. In dit geval op een zeer absurdistische wijze, die zó klopt dat het niet leidt tot vervreemding, maar waar je juist in gezogen wordt.’

Prietpraat

Aan de basis van de voorstelling ligt een ogenschijnlijk simpel verhaal: een vrouw komt voor het eerst in het nieuwe huis van haar ex-man. Er ontstaat uiteraard een uiterst ongemakkelijke situatie. Die zeker drie kwartier duurt.

Net zoals Kale bomen ruisen niet en De lange nasleep van een korte mededeling, eerdere teksten van Magne van den Berg, wordt in De binnenkomst… vooral heel veel gekeuveld.

e    he  
r    he
e    je woont hier…
r    ja hier woon ik
e    je woont hier leuk wilde ik zeggen
r    sorry
e    je hebt een mooi uitzicht
r    ja
e    is het een hofje
r    ja
e    een nonnenhofje
r    zusters ja
      zestiende eeuw
e    ja ja
      leuk
r    ja
e    en mooi
r    ja

Oeverloze prietpraat tot je er gestoord van wordt. De twee ex-geliefden blijven maar over het mooie uitzicht doorgaan en weten niet tot de kern van de zaak te komen.

Het risico van zo’n tekst is dat je het ‘spannend gaat spelen’, door veelbetekende stiltes te laten vallen en zenuwachtig aan je trui te friemelen. In de voorstelling zijn het de gedurfde, extreme keuzes van Sanne van Rijn en het spel van mimespelers Esther Snelder en René Geerlings (eveneens genomineerd voor de VSCD Mimeprijs voor zijn spel in De Binnenkomst… en in Toneel van Theatergroep MAX) die de tekst van een dergelijke psychologische sentimentaliteit redt. De innerlijke werelden van de personages worden als het ware veruiterlijkt. Hun lichamen zijn verkrampt, hun poses nét te groot. Deze licht absurdistische speelstijl werkt in eerste instantie vervreemdend. Het schept een afstand, maar fascineert tegelijkertijd.

Langzaam, tergend langzaam komt de zich almaar herhalende keuvelende tekst tot de kern. Hij wil dat zij hem ziet. Écht ziet. Ziet hoe hij is veranderd. In positieve zin. Zij ziet het niet. Ze wil het niet zien of ze kan het niet zien. Langzaam neemt ook het groteske af in de speelstijl, hoewel het effect nog wel als een echo aanwezig is in gebaren, houdingen en woorden.

Aan het eind van de voorstellling ontstaat zo een prachtig beeld. Hij kijkt uit het raam en huilt. Na al het groteske en afstandelijke zien we nu echte tranen biggelen over de wangen van René Geerlings. De vrouw ligt op de grond en lacht zonder ophouden. Het beeld is zo pijnlijk dat het je recht in je hart treft. Dan gaat hij bij haar staan. Zij krult haar lichaam om zijn voeten. Hij staat daar nog met zijn tranen en zij zoekt geborgenheid bij hem. Om uiteindelijk op te staan en weg te gaan.

Gedroomde spelers

De voorstelling ontstond op initiatief van René Geerlings en Esther Snelder, die Magne van den Berg vroegen een tekst te schrijven op basis van hun idee. Van Rijn werd erbij gevraagd als regisseur. Ze was meteen geraakt door de tekst. ‘Ik hou van de uitgepuurde taal van Magne. Ze is dwingend en geeft tegelijk veel ruimte. Daardoor had ik het gevoel dat ik stevige gebaren tegenover de tekst moest plaatsen, zoals die vette muziek, de kale ruimte en de uitvergrote speelstijl. Op die manier zou de droogheid van de taal het best tot zijn recht kunnen komen.’

Geerlings en Snelder bleken ‘gedroomde spelers’. ‘Als we het over ruimte hadden, namen ze de ruimte mee in hun spel. Dat kon je meteen zien. De technieken die zij in huis hebben en de manier waarop zij kijken en werken, past bij wat ik wil maken,’ vertelt Van Rijn. Al werkend vonden ze gezamenlijk de juiste manier om tekst en beweging samen te brengen. ‘De juiste ingang bleek om te spelen alsof de lichamen weten dat ze bij elkaar horen, maar zodra daar woorden en gedachtes tussen komen gaat het niet meer, dan stagneert de communicatie. In hun beweging volgen ze elkaar, terwijl ze elkaar in hun taal juist niet kunnen vinden. Dat was heel spannend om naar te kijken. In beweging bleek dat steeds extremer te kunnen worden, met als resultaat dat de taal klein en braaf werd. De tekst moest mee met die lichamelijke logica. Anders bleef het hangen in gek bewegen en normaal praten.’

Veelvraat

In het theater van Van Rijn gaat het om eenvoud en precisie. ‘Een goed kunstwerk is heel precies,’ legt Van Rijn uit. ‘Het genereert een complex aan betekenissen. Mensen verwarren dat met de veronderstelling dat je dan ook iets ingewikkelds moet maken, maar dat is niet zo. Kunst heeft baat bij eenvoud en precisie.’

Zo heeft Van Rijn uit de fotografie nogal specifieke opvattingen over het gebruik van licht naar het theater meegenomen. ‘De fotografie heeft strenge opvattingen over licht. Er is één zon, dus er is altijd één lichtbron. Twee schaduwen is taboe. In het theater zie ik altijd meteen dat grid helemaal volhangen met lampen en een waaier aan schaduwen op de vloer.’ In haar werk zal dat niet gebeuren. Daar zet ze liever de ramen open, zodat het volle leven langstrekt tijdens de voorstelling, zoals in De binnenkomst…

Die eenvoud en precisie zijn belangrijk voor haar. ‘Een lijn die een millimeter naar beneden helt, betekent iets anders dan een perfect horizontale lijn. Alles wat je bij elkaar plaatst betekent wel iets, en voor je het weet heb je een rommeltje van betekenissen, oftewel een slecht kunstwerk. Het vakmanschap zit in de nauwkeurigheid waarmee je alle keuzes, alle betekenis in dezelfde richting kunt laten wijzen. Ik denk dat ik in de loop der jaren steeds steviger gebaren durf te plaatsen. Inmiddels is mijn ambachtelijkheid zo groot dat ik dat meer en meer op gevoel kan. Ik ben volwassener geworden als kunstenaar. Ik weet goed wat ik wil maken en ik hoef mijn idioom niet meer te bevechten. Daarvoor heb ik me jarenlang verdiept om een eigen idioom te ontwikkelen en te benoemen wat theater voor mij is. Ik geloof dat ik nu het vak wel beheers. Nu wil ik me verbreden en met nieuwe mensen werken in zo divers mogelijke projecten. Ik ben een veelvraat en dat bevalt me uitstekend.’

De tekst van De Binnenkomst… van Magne van den Berg is te bestellen via www.denieuwetoneelbibliotheek.nl