Tag Archives: PS|theater

PS|theater: De dorpse stad

Blog: De dorpse stad

Na tien jaar werken in de stad Leiden, richten we vanaf 2020 de blik ook voorbij de stadsgrenzen. In het themajaar De dorpse stad gaan we zoek naar hoe we met de ander verbonden zijn.  In een wereld die zo groot en vluchtig is als die van ons nu, zou je bijna kunnen vergeten waar je bent en met wie je daar bent. De stad vindt weliswaar een aantrekkingskracht door economische belangen en bruisend leven, maar schaalvergroting betekent ook anonimiteit en eenzaamheid. De behoefte aan verbinding blijft. Zijn we eigenlijk niet gewoon op zoek naar een dorp in de stad? 

Dit jaar gaan we aan het werk bij onze buren: de gemeenten Zoeterwoude, Voorschoten, Oegstgeest en Leiderdorp. Verschillende gemeenten met hun eigen identiteit, hun eigen tradities, hun eigen dorpsgevoel. Bloeien zij op door de nabijheid van de stedelijke dynamiek? Of worden ze juist klein gehouden door de grote boze stad? Is de lokale democratie en sociale cohesie niet sterker op plekken waar de lijnen tussen burger en bestuur korter zijn?

In zijn boek De ontmanteling van de democratie schrijft de Leidse journalist Marcel ten Hooven over de kunst van het samenleven. Voor Ten Hooven is democratie een manier om fatsoenlijk met elkaar om te gaan. “Behalve op een stelsel van formele regels, procedures en instituties rust zij op een sociaal bewustzijn, een besef dat je met anderen leeft en lang niet altijd het laatste woord zult hebben of volledig je zin zult krijgen”. In een democratie moet er dus ruimte zijn voor andersdenkenden, voor diversiteit, voor pluralisme. Het streven is niet een eenstemmigheid of een totale consensus, maar juist het kunnen omgaan met de onderlinge verschillen. “De volkssoevereiniteit neemt pas een democratische vorm aan als zij is gekoppeld aan burgerlijke rechten en vrijheden die minderheden beschermen, niet als zij is gekoppeld aan de wil van de meerderheid. In de betekenis van de georganiseerde kunst van het samenleven gaat democratie veeleer om de bescherming van minderheden dan om de vorming van een meerderheid.”

Wie geeft de microfoon aan de gematigde stem? Die vraag stelt Denker des Vaderlands Daan Roovers in een essay in de Volkskrant van 20 april 2019. Zij schetst hierin de ontwikkeling waarin vooral de extreme standpunten ruimte krijgen in de politiek en de media. Maar die extreme standpunten vertegenwoordigen niet de meerderheid van de samenleving. Een groot deel van de Nederlanders, het milde midden, heeft een minder uitgesproken mening. Roovers vindt dat een zorgelijke ontwikkeling omdat “media (en politiek) zich verder van hun lezers en kiezers vervreemden. Dat ik, en velen met mij, mijn stem niet meer gepresenteerd zien in een krant, in een publiek debat, op tv, of in de politiek. En dat, in een poging de kloof tussen elite en burger te verkleinen, door de uitzonderlijke mening een podium te geven, die op deze manier alleen maar wordt vergroot.” In haar essay verwijst Roovers naar Cass Sunstein die zich als hoogleraar aan Harvard heeft bezig gehouden met onderzoek naar depolarisatie en het belang van het midden daarin: “Het in contact brengen van twee extreme tegenpolen leidt alléén tot toenadering als je ook het midden erbij betrekt. (…) Zonder begeleiding van de gematigde stem is de kans dat beide polen zich verder harnassen in hun eigen gelijk groot.”  Daarbij is het van belang om te zorgen voor een gezamenlijke context die dus juist niet online plaats vindt. “Als er sprake is van onderlinge verbondenheid is de kans veel groter dat verschillende polen bij elkaar komen. Lokale en provinciale politiek zijn hiervoor bij uitstek geschikt.”

Dus, op naar de dorpse stad!

Blog PS|theater: Zoeterwoude

Daar reed ik dan. Op de fiets. Tussen de koeien. Met de A4 nog maar net achter me en met in mijn blikveld zowel een ouderwetse Hollandsche molen en een torenhoge windmolen. Ik ben nu al in een andere wereld. Ik ben op weg naar Zoeterwoude voor een afspraak met burgemeester Liesbeth Bloemen en cultuurwethouder Ruud Bouter. Ze overladen me met tips. Ik moet zeker nog eens hier langs fietsen en daar eens gaan praten. Maar het mooiste deel van het gesprek is toch wel het betoog van de cultuurwethouder over zijn dorp. Hij schetst een hechte gemeenschap, waar de sociale cohesie groot is, mede dankzij de inzet van de vele vrijwilligers en de korte lijnen tussen burger en bestuur. Van binnen juich ik. Precies het verhaal dat we zoeken voor volgend jaar. Vervolgens belandt de burgemeester in een iets te lange uiteenzetting over een of andere kwestie omtrent afvalcontainers. Mijn juichen sterft langzaam maar zeker weg. Ben ik nou serieus met een burgemeester ruim een kwartier over de vraag of je je vuilniszakken wel of niet even in de auto kan zetten om weg te brengen?

Nee. De burgemeester wijdt weliswaar echt wel te lang uit over deze kwestie, maar eronder ligt een ander verhaal. Tussen de regels door beschrijft zij ook haar aanpak. Hoe zij van deur tot deur het gesprek aan ging met de bewoners van de straat. Hoe zij luisterde naar hun bezwaren, maar daar ook praktisch en nuchter tegenwicht aan bood. Daarmee ging de anekdote dus niet alleen over afvalcontainers, maar ook de keuzes die een gemeente maakt en hoe de gemeenschap wordt meegenomen in veranderingen die nou eenmaal nodig zijn, wil Zoeterwoude verduurzamen.

Het gesprek zet me wel aan het denken. Het gaat over vuilniszakken, maar het gaat niet over vuilniszakken. Het gaat over hoe je als gemeentebestuur steeds moet schipperen tussen mee bewegen met de tijd en gas terugnemen om de club bij elkaar te houden. Enerzijds moeten er beslissingen genomen worden voor de toekomst, moeten sommige zaken nou eenmaal aangepakt en veranderd worden en mag een gemeente daar best daadkrachtig in optreden. Anderzijds zitten de inwoners totaal niet op verandering te wachten en moet je tussen de mensen daarin mee krijgen. Ook als dat betekent dat je oeverloos zit te emmeren over huisvuil.

Terug op de fiets. Door de weilanden, langs de koeien en de molens terug naar de stad. Ik weet nog niet of ik nu net een schoolvoorbeeld van democratie in werking heb gehoord. Als dat namelijk wel het geval is, waarom word ik er dan toch zo mismoedig van?

Blog PS|theater: Eskender

Depressed. Hij legt het woord op tafel alsof hij net heeft gezegd ‘met melk en suiker graag’. Tegelijkertijd draagt het woord de zwaarte van jaren vluchten en wachten. Wij dachten een hele veilige vraag gesteld te hebben. Hoe ziet je dag eruit? We verwachtten heus geen rooskleurige dagbesteding. Misschien iets over fietsen door de stad, wat onofficieel vrijwilligerswerk of deelnemen aan een activiteit in het buurtcentrum. Maar dit antwoord en de toon waarop het ons voor de voeten wordt gegooid, brengt ons uit balans.

Die ‘ons’, dat zijn Pepijn Smit en ik. Wij zijn theatermakers van stadsgezelschap PS|theater in Leiden. Op het moment van de ontmoeting, zitten wij volop in de research voor een theatervoorstelling over de ongedocumenteerden in de stad en het migratiesysteem in Nederland. Die ‘hij’ is gevlucht uit Ethiopië, uitgeprocedeerd en ‘woonachtig’ in de Bed Bad Broodopvang in Leiden.  In de maanden hiervoor spraken we al met allerlei instanties. Ieder gesprek ging ons goed af. We stelden vragen. We luisterden naar de antwoorden. Het onderwerp bleek steeds complexer, maar dat vonden we juist reuze interessant.

Onze research is natuurlijk niet compleet zonder de ongedocumenteerden zelf. De Bed Bad Broodopvang opent zijn deuren voor ons. Op een mooie voorjaarsdag, sluiten Pepijn en ik voor het eerst aan bij de wekelijkse inloopkoffie op dinsdagochtend. Voor we weten, zitten we in de voorjaarszon tegenover deze man. We stellen onze vraag. Hoe ziet je dag eruit? We krijgen dat antwoord. Depressed. En even weten we niet hoe we verder moeten.

Het gesprek komt uiteindelijk toch op gang. We horen een deel van zijn vluchtverhaal. We zijn geraakt door de zorgen die hij zich maakt om zijn ouders en zijn zoon, die daar nog steeds zijn en gevaar lopen. We zien zijn ogen glinsteren als hij vertelt over zijn geloof en over zijn eigen herinneringen aan theater in zijn tienerjaren. We maken kennis met een mens die meer blijkt te zijn dan onze aannames over ongedocumenteerden.  

Na deze ontmoeting weten we even niet goed raad met onszelf. De man heeft ons vooral een spiegel voorgehouden. Het ongemak van het gesprek, de misplaatstheid van onze goede bedoelingen, de plank die we meteen missloegen. We zijn niet bepaald trots op wat wij in die spiegel zien. Gelukkig stopt het verhaal daar niet. De ontmoeting zet ons op een nieuw spoor. We gaan een voorstelling maken waarbij die ongemakkelijke spiegel juist het uitgangspunt is.

Blog PS|theater: Daar & Hier, Toen & Nu

7724 kilometer. Dat is de afstand die Kalyan heeft afgelegd vanaf zijn geboorteplaats bij Bangalore in India naar het Bio Science Park in Leiden. En Pilar uit Mexico-Stad legde een reis af van 9201 kilometer om voor haar PhD ook op het Bio Science Park te landen. Zelf ben ik geboren en getogen in Den Haag, op een schamele 16 kilometer van Leiden. Ik ben in mijn hele leven maar 16 kilometer opgeschoven. Ik schrik een beetje van mijn eigen gebrek aan avontuur. Ik heb de nodige reizen afgelegd, Amerika, China, Zuid-Afrika. Dus ik heb best wel wat kilometers afgelegd en andere werelden gezien. Maar altijd als toerist. Nooit als nieuwkomer in een onbekend land. Continue reading Blog PS|theater: Daar & Hier, Toen & Nu

JA! Ruimte aan de toeschouwer!

Of ik een reactie wil schrijven op de onlangs verschenen publicatie De taal van de toeschouwer. Tuurlijk. Geen probleem. Helemaal mijn straatje. Nu, een week later met zeven kantjes nutteloze aantekeningen voor me en een dichterbij tikkende deadline, wordt het me steeds duidelijker: ik kom er niet uit. Na de eerste lezing wil ik alleen maar JA roepen. Maar bij een tweede lezing borrelen vragen op die me naar een hartgrondig NEE leiden. En ondertussen kan ik alleen maar denken aan Sandra.

Dat ligt geenszins aan de publicatie. De taal van de toeschouwer is een publicatie van Marijke Dijkwel, Simone van Hulst en Tobias Kokkelmans in een uitgave De Nieuwe Toneelbibliotheek. De aanleiding van deze publicatie is Het Laatste Woord, een serie nagesprekken bij Frascati en Theater Rotterdam, waarbij toeschouwers ruimte kregen om woorden te geven aan hun gedachten en ervaringen na afloop van de voorstelling. Theatermakers en andere experts zijn hierbij nadrukkelijk niet aanwezig. De taal van de toeschouwer werkt toe naar een vrij praktische handleiding voor het zelf organiseren van een nagesprek.

Het initiatief tot Het Laatste Woord wordt door de auteurs gevoed door een verlangen naar een niet-autoritaire uitwisseling in de kunsten. In het openingsessay ‘De taal van de toeschouwer. Ruimte voor publiek discours in een betuttelende kunstpraktijk’, wordt dit verlangen theoretisch onderbouwd. Dijkwel, Van Hulst en Kokkelmans signaleren twee paradoxale trends in de rol die aan de toeschouwer wordt toegeschreven. Ten eerste is er het misverstand dat het publiek bevrijd moet worden uit zijn passiviteit. In sommige kunstprojecten wordt de toeschouwer tot deelnemer gebombardeerd. Filosoof Jacques Rancière verzet zich tegen actieve participatie van de toeschouwer. Hij betoogt in De geëmancipeerde toeschouwer juist dat ook kijken een handeling is. Het kijken gaan immers samen met interpreteren, verbanden leggen, etc. Daar ligt al een actieve houding van de toeschouwer in besloten, ook als die gewoon in zijn stoel blijft zitten. Het moeten deelnemen is juist dwingender en beperkender dan de vrijheid van zelf mogen kijken, interpreteren en verbeelden. Ten tweede noemen de auteurs de misvatting dat co-creatie gaat over het scheppen van democratische en horizontale relaties tussen verschillende betrokkenen. Er is sprake van een schijngelijkheid, want uiteindelijk blijft de kunstenaar aan het roer staan en willen we de ervaring van de toeschouwer blijven beheersen.

Ja, denk ik! JA! Ruimte aan de toeschouwer! Een niet-autoritaire uitwisseling, hoera! Voortaan altijd een Laatste Woord bij iedere voorstelling! Ik kijk naar de drie kantjes aantekeningen op mijn bureau en denk ‘tja, wat heb ik nog hier aan toevoegen?’.  Dan lees ik De taal van de toeschouwer nog een keer. Ik koppel de overdenkingen van de auteurs met de manier van werken van PS|theater, het stadsgezelschap van Leiden, waar ik als dramaturg aan verbonden ben. En dan beginnen de vragen op te borrelen.

Aan de voorstellingen van PS|theater gaat steeds een sociaal-artistieke dialoog vooraf. Wij halen onze inspiratie uit maatschappelijke vraagstukken en uit de persoonlijke verhalen van uiteenlopende mensen uit de stad. De persoonlijke verhalen die wij verzamelen, geven wij een theatrale vertalen om ze op die manier door te kunnen vertellen en nemen wij op in een groter verhaal over samenleven in de stad. Dat grotere verhaal over de stad vertalen wij naar voorstellingen op locatie die gaan over het verlies van gemeenschapszin, over toekomstdromen van de nieuwe generatie, over het praktisch idealisme van dertigers of over het Turkse en Hollandse familiegevoel in een wijk. Op die manier zetten wij ons ambacht als theatermaker in om mensen op een andere manier naar de stad, naar de wijk en naar elkaar te laten kijken. Zoals naar Sandra. Of Charles. Of Monav.

Ik geloof dat ik de term co-creatie niet zo snel zal gebruiken voor het werk van PS|theater. Co-creatie klinkt als een manier van werken waarbij twee partijen even verantwoordelijk zijn voor het proces en voor het eindresultaat. In ons geval bepalen wij de agenda, nemen wij het initiatief en voeren wij de regie. Die co-creatie ligt in ons geval dus meer bij de doorgaande dialoog met de stad, het betrekken van bewoners en organisaties bij onze projecten. Die betrokkenheid zit soms in een enkel gesprek dat ons op een bepaald spoor zet of uitmondt in een liedje. Of in het mogen spelen in iemands huiskamer. Of een brainstorm met medewerkers van een erfgoed-instelling. Of een samenwerking met een maatschappelijke organisatie. Of een dag mee lopen in het buurthuis. Of in zestien ontmoetingen tussen onze acteurs en Leidenaren uit verschillende ‘bubbels’ als inspiratie voor hun personages.

Inmiddels zijn de drie kantjes aantekeningen uitgegroeid tot vijf pagina’s. De gedachten buitelen over elkaar heen en ik begin aan wel tien verschillende artikelen.

Ik wil schrijven dat ik heel blij wordt van een reflectie op de toeschouwer zonder dat het gaat over aantallen en percentages.

Ik vraag mij af of wij met onze voorstellingen soms ook de toeschouwer in de rol van deelnemer dwingen.

Ik stoor me aan de term ‘betuttelende kunstpraktijk’. Door het woord betutteling te gebruiken, geven de auteurs een waarde-oordeel aan het gegeven dat wij theatermakers ook gewoon ons ambacht inzetten.

Ik wil pleiten voor dat ambacht. Wij maken als theatermakers een vertaalslag waardoor een particulier verhaal kan worden overgebracht aan een ander publiek. Want als onze Eva, Tijs en Rian het verhaal van Piet, Marcel en Walter vertellen in Nestelaar, hangt het publiek aan hun lippen. Bovendien zijn wij als theatermakers in staat om de afzonderlijke verhalen te verbinden tot een groter verhaal over het samenleven in de stad. Dat is geen betutteling, dat is ambacht.

Ik wil ingaan op het idee dat de ontmoeting in het theater niet zou moeten plaatsvinden tussen ‘artiest’ en ‘consument’, maar ‘van burger tot burger’. Dat dat dus betekent dat we als theatermakers net zo goed deel uitmaken van de stad, dat we een hoofd en een hart hebben, dat wij in onze oprechte nieuwsgierigheid naar de ander ons net zo kwetsbaar opstellen als de mensen die we betrekken in onze projecten.

Ik wil een nijdig antwoord schrijven over de opmerking dat co-creatie, door de auteurs benoemd als ‘een manier om de toeschouwer meer te laten zijn dat consument’, ‘in de kern een marketingtool is en blijft’. NEE. NEE. Driewerf NEE!

Maar het lukt me niet. De pagina’s met steeds warriger aantekeningen stapelen zich alleen maar op. De deadline is inmiddels gepasseerd. Ik kan nog steeds alleen maar denken aan Sandra. Aan Charles. Aan Monav. Aan Bahaa. Aan Juliette. Aan al die mensen die hun verhaal, hun huiskamer, hun tijd, hun vertrouwen met ons deelden. Ik weet niet of dat dan co-creatie heet. Ik weet niet of dat al dan niet een autoritaire uitwisseling. Ik zie vooral onze poging – en van Marijke Dijkwel, Simone van Hulst en Tobias Kokkelmans –  om mensen, of het nu deelnemers zijn of toeschouwers, deelgenoot te maken van een gedeeld verhaal. Met een Eerste of een Laatste Woord.

Dit artikel is eerder verschenen op Theaterkrant.nl.

Een gesprek begint…

Peerke, Rian, Pepijn, Jacqueline en Renée. Met die vijf theatermakers dook ik in februari in het thema De gedroomde stad. We wilden gedurende een maand inspiratie vinden in de stad en bij elkaar. Op woensdag 1 februari zagen sommigen van ons elkaar voor het eerst. Sindsdien hebben we samen gekookt, samen gegeten, inspiratie gedeeld. We hebben de kou getrotseerd en eetbare planten gezocht én gevonden bij de Burcht, gesproken over het spreken, voorstellingen bezocht. We hebben gespeeld dat we samen in een hofje woonden, we hebben gedebatteerd met de stad en door Leiden Zuidwest gefietst.

En we praten, praten, praten. Leggen ideeën en inspiraties aan elkaar voor. Pril, zoekend, twijfelend, maar toch ook steeds de spijker op z’n kop. Hoe kunnen we spreken over de gedroomde stad als we ons – na Brexit en Trump – ook moeten verhouden tot een polarisatie in de samenleving? Hoe kunnen we empathisch luisteren naar de mensen die zich niet gehoord voelen, zonder onze eigen stem te verliezen? Zal er in de gedroomde stad nog steeds ruimte zijn voor kwetsbaarheid en het koesteren van het kleine? Zullen we in de gedroomde stad beter met elkaar in gesprek kunnen gaan over de onderlinge verschillen? Wie waagt de sprong over de empathiemuur en waar vinden we de heterotopische plaatsen van Leiden? Kunnen we vanuit het idee van een geëmancipeerd museum (naar Steven ten Thije) werken aan een geëmancipeerde wijk, waarbij we via verbeelding en speelsheid mensen zich meer onderdeel kunnen laten voelen van hun eigen omgeving. Hun eigen én gedeelde publieke sfeer. Hun eigen gedroomde stad.

Op de laatste dag, vrijdag 24 februari, zijn we al echt een clubje. Alsof we de afgelopen maand een heel lang personeelsuitje hebben gehad, waarbij we elkaar beter hebben leren kennen. Misschien is dat wel het allergrootste cadeau van die maand: ons onderlinge gesprek. En dan te bedenken dat we nog maar net beginnen.

***

Met veel veel dank aan Daan van Building Conversations, Ton van Diaconaal centrum De Bakkerij, Folly van het straatpastoraat, Sophie van Pluk de Stad Leiden, Marije van Whiteboxing, Chai van Triodos Bank, Sander en Samuel van ThuismakersCollectief.

Een utopische meent in Leiden?

De utopische meent. De utopische meent. De term blijft nogal hangen, merk ik. De utopische meent van Hans Achterhuis kwam in het vorige blog al even voorbij, in een flits, maar verdient meer aandacht. Dat juist Achterhuis met de utopische meent op de proppen komt is opmerkelijk. Hij heeft zich immers lange tijd juist tegen utopieën verzet, vanwege het totalitaire gevaar dat er in schuilt gaat. Maar in zijn recente publicatie Koning van Utopia verdiept hij zich opnieuw in het utopisch denken en komt tot nieuwe inzichten.

Terugeisen van de meent
Die nieuwe inzichten cirkelen rondom het begrip ‘de meent’. En dat begint als bij Thomas More en ‘the enclosure of the commons’. De commons, waarvan het landvolk voor zijn levensonderhoud afhankelijk was, werden in de tijd van More door de adellijke grootgrondbezitters omheind en afgesloten om er schapen op te houden, om vervolgens goed geld te verdienen met de wol. Stukken grond die voorheen van iedereen waren, werden nu als het ware onteigend. Met alle ellende en armoede van dien. Volgens Achterhuis worden ook nu, in de tijd van de utopie van de vrije markt, ‘veel publieke en gemeenschappelijke goederen en activiteiten geprivatiseerd en naar de markt gebracht’. Onteigend dus.

Achterhuis refereert aan ‘the recovery of the commons’ van Lieven De Cauter, die daarmee verwijst naar een tegenbeweging waarin mensen het gemeengoed terug eisen. Ook citeert hij Maarten Hajer en diens aan Foucault ontleende begrip ‘heterotopia’: “In steden zouden publieke ruimtes kunnen worden ontworpen die burgers uitnodigen om er gemeenschappelijk vorm aan te geven. ‘Een veelheid van mensen, levensstijlen en activiteiten kan deze ruimtes een bijzondere kwaliteit geven’.”

En zo komt Achterhuis op het begrip ‘utopische meent’. Utopisch, want het is gericht op een betere toekomst, maar dan niet in de totalitaire zin van het woord. Met waarden en idealen die voortkomen uit traditie in plaats van radicale breuk met het verleden. De meent verwijst naar een gemeenschappelijk gebruik van grond, weiden en bossen, maar ook naar de afspraken over dat gebruik. “Deels gaat het hier om een herovering en verdediging van traditionele ruimtes en activiteiten, deels ook om de verovering van nieuwe vormen van gemeenschap. Vooral voor dat laatste is de utopische inspiratie onmisbaar. Laten  we hier niet alleen vasthouden aan belangrijke waarden uit de traditie, maar ons ook richten op de toekomstige vernieuwing daarvan. We zijn gebaat bij de uitvinding van nieuwe vormen van oude activiteiten. De utopische meent is de aangewezen plek om de wereld een beetje beter te maken – met oog voor traditie, op lokaal niveau – en daarmee tegenwicht te bieden aan de alomtegenwoordige utopie van de vrije markt.”

Wat bij blijft
Na het lezen van Koning van Utopia blijft bij mij onder andere hangen hoe vaak hij het woord ‘traditie’ gebruikt als hij het heeft over het utopisch denken van nu. Alsof hij pleit voor het verleden als basis van de toekomst. Als we in Leiden zouden zoeken naar een utopische meent, waar zouden we die dan vinden? Of maken? En op welk verleden of op welke traditie bouwen we die dan?

 

Meer of minder utopie?

Wie zich ook maar op een of andere manier bezighoudt met utopie, kan niet om Utopia van Thomas More heen. Zeker niet het afgelopen jaar, waarin (naar aanleiding van het 500-jarig jubileum van de publicatie) zoveel over Utopia is geschreven. Bijvoorbeeld door filosoof Hans Achterhuis in zijn net verschenen Koning van Utopia en door Merijn Oudenampsen in de Groene Amsterdammer. Twee inspirerende publicaties die beide tot één slotsom lijken te komen: we willen meer utopie. Continue reading Meer of minder utopie?

De gedroomde stad van Constant Nieuwenhuys

Ik stuitte er eigenlijk bij toeval op. Zoals dat tegenwoordig gaat, begint bijna ieder nieuw project wel met het intikken van wat zoektermen in Google en grasduinen door internet. Dus daar ging ik: ‘gedroomde stad’. En daar kwam ‘ie naar boven: New Babylon van de kunstenaar Constant Nieuwenhuys (1920-2005). Een utopisch project van twintig jaar waarin hij met maquettes, schilderijen, tekeningen, manifesten en ‘ervaringsruimten’ vorm gaf aan zijn gedroomde stad. En laat er nou net in het Gemeentemuseum in Den Haag een tentoonstelling over New Babylon zijn… Continue reading De gedroomde stad van Constant Nieuwenhuys