Bambie wil de wereld veroveren

(eerder verschenen in TM, oktober 2008)

Jochem Stavenuiter en Paul van der Laan hebben er samen al aardig wat theaterkilometers op zitten. Afgestudeerd aan de mimeopleiding in 1997, behaalden ze al vrij snel succes met hun genummerde Bambie-voorstellingen. Op 31 oktober gaat Bambie 13 in première, een voorstelling over melancholie en keuzes. Het stuk heeft hetzelfde Bambiegehalte als zijn twaalf voorgangers, maar vormt ook het begin van een nieuwe periode.

Voor trouwe Bambiefans zal het wel even wennen zijn als ze naar Bambie 13 gaan kijken. Na vijf minuten valt ze misschien op dat de ene helft van het Bambie-duo, Jochem Stavenuiter, wel op het podium te zien is, maar Paul van der Laan, de andere helft, niet. Ook na tien minuten is Van der Laan in geen velden of wegen te bekennen. Na vijftien minuten zal menig toeschouwer, misschien een beetje angstig, zich afvragen of hij nog wel komt. Maar nee, in Bambie 13, de nieuwe voorstelling van Bambie, verschijnt hij niet. Na twaalf voorstellingen samen maken én spelen, doorbreken Stavenuiter en Van der Laan dat patroon. Stavenuiter speelt en Van der Laan blijft als regisseur/begeleider aan de kant zitten. ‘Onze voorstellingen beginnen altijd vanuit een nieuwsgierigheid,’ licht Van der Laan toe. ‘Bambie 1 begon met een gevoel van “laten we eens wat gaan proberen”. Dat gevoel is altijd gebleven. Wat zou er gebeuren als we met vijf spelers werken? Wat nou als we het eens op een andere manier aanpakken?’ Stavenuiter: ‘Met dat gevoel willen we ook aan het nieuwe kunstenplan beginnen. Wat zou er gebeuren als een van ons niet meespeelt?’ Van der Laan: ‘Het levert allicht iets nieuws op. Wat dat is, dat weet ik nog niet.’

Voor Bambie 13 vormt de film Tirez sur le pianiste van de Franse regisseur François Truffaut uit 1960 een belangrijk uitgangspunt. Hierin speelt Charles Aznavour een man die ooit de kans had een beroemd en groot pianist te worden. Door omstandigheden is dat niet gelukt en speelt hij piano in louche bars en twijfelachtige kroegen. De naïeve impulsiviteit van de personages, de tragikomische toon in het spel en de melancholische sfeer van de film zijn elementen die de Bambies inspireren.

Bambie 13 is in die zin enigszins te vergelijken met Bambie 8,’ vertelt Stavenuiter. ‘Daarin werkten we met Gerindo Kamid Kartadinata vanuit de films van Werner Herzog en Klaus Kinski. We kozen ieder een hoofdpersonage uit een van die films. Vervolgens maakten we daarmee eigen scènes.’ Van der Laan vult aan: ‘Het fijne aan het werken vanuit een film is dat je je eigen spel tegen een afgerond geheel kunt afzetten. Je begint bij iets dat al is uitgewerkt. Je kunt vertrekken vanuit de personages, zoals in Bambie 8, en dan juist niet doen wat in de film gebeurt. Aan het eind van onze voorstelling werd het decor, een keuken, uit elkaar getrokken, omdat we iets onmogelijks wilden doen, net als Herzog in zijn films. Zo kun je een stap verder gaan en nieuw materiaal ontwikkelen.’

De drie personages uit Bambie 8 zijn Nosferatu (de welbekende graaf Dracula), Aguirre (een onderofficier met grootheidswaan die zijn mannen naar El Dorado leidt) en Fitzcarraldo (een operafanaat die vastbesloten is een operahuis midden in de jungle te bouwen). Deze mannen, met ieder hun grote verlangens en driften, ontmoeten elkaar in een doodnormale en te kleine keuken. Hier ontspinnen zich enkele prachtige, beeldende situaties, zoals een tocht van de drie mannen van de tafel via de gootsteen over de keukenkastjes of het met keuken en al wegzeilen van Fitzcarraldo. Het samenbrengen van drie extreme personages levert scènes op waarin de Bambies een relatie met elkaar moeten aangaan en waarin ze voor elkaar het onmogelijke mogelijk maken. Zo staat Nosferatu op een kleed dat Aguirre voortsleept, waardoor de ‘angstaanjagende’ vampier echt lijkt voort te zweven.

Bambie 13 zal wat personages betreft heel anders zijn, vermoeden Stavenuiter en Van der Laan. Van der Laan: ‘De personages in Tirez sur le pianiste zijn sterk, maar ook ongrijpbaarder dan die in het werk van Herzog en Kinski. Ze reageren soms impulsief en krijgen vervolgens te maken met de consequenties van hun gemaakte keuzes. De hoofdpersoon bijvoorbeeld loopt continu achter de feiten aan. Daarin schuilt al meteen een bepaalde tragiek.’ Eerder dan vanuit de personages werken ze dit keer vanuit het gevoel van melancholie dat de film oproept. Van der Laan: ‘Voor die pianist zijn de goede tijden voorbij. Hij is zijn gouden kans misgelopen. De film gaat daardoor ook over de herinnering. Als je dat gevoel op de een of andere manier kunt benaderen in de voorstelling, kun je daarmee mensen raken. Misschien willen we de toeschouwer wel meenemen naar een tijd die in het heden niet meer kan bestaan.’ Stavenuiter: ‘Het fijne aan films uit deze periode is dat het lijkt alsof de acteurs weten dat ze staan te spelen. Dat maakt de toon heel luchtig en speels, ondanks het zware dramatische verhaal.’

Nieuwsgierig

In het werk van Bambie vormt het contrast tussen humor en tragiek een rode draad. Het maakt scènes schrijnend en ontroerend. Stavenuiter: ‘Als je om iets moet lachen dat tegelijkertijd schuurt, is dat het mooiste dat je als toeschouwer kan overkomen.’ De scène uit Bambie 12 die Van der Laan ‘marcherend het weekend door’ noemt is zo’n moment. ‘Daarin gaat het om ontspanning: eten bij vrienden, een bos bloemen, seks op zaterdagochtend. Maar alles wordt marcherend afgewerkt.’ De grote krampachtigheid waarmee blij en vrolijk het weekend wordt doorgehupst, geeft de toeschouwer een verontrustend en ongemakkelijk gevoel. Stavenuiter: ‘Als een scène echt goed is, voel je die twee kanten.’

Een ander voorbeeld daarvan zit in Bambie 10. Jochem Stavenuiter, gekleed in voetbaltenue, rent rondjes om een voetbalkantine die midden op het podium staat. De pogingen van de andere spelers om hem weer naar binnen te krijgen omzeilend, blijft hij doorrennen. Zelfs als ze hem uiteindelijk naar binnen weten te halen, blijft hij rennen in de veel te kleine ruimte. Als een vlieg die naar buiten wil, knalt hij steeds opnieuw tegen de ruiten. Door het contrast tussen het tragische van de gevangen voetballer en het komische van het tegen de ramen opvliegen maakt de scène een onuitwisbare indruk.

Behalve inhoudelijke contrasten die een zekere betekenis of een bepaald gevoel oproepen, zijn ook in vorm of beweging tegenstellingen mogelijk. Van der Laan: ‘In Bambie 7 zit een scène waarin Jochem zijn hand naar me uitsteekt. Heel langzaam reik ik naar hem tot ik uiteindelijk zijn hand vastpak. Dat is een van die scènes die steeds als ik ze moet spelen een prettige angst inboezemen. Dat reiken moet zo traag gebeuren, dat het elke keer de vraag is of het voor een publiek nog uit te houden is. We vergen veel van het publiek door het te dwingen te blijven kijken.’

Stavenuiter: ‘Dat is het frustrerende en tegelijkertijd mooie van theater. In de ultieme vorm bestaat theater bij de gratie van de aanwezigheid van het publiek en de spelers. Een boek blijft bestaan, in de vorm zoals het ooit is bedoeld. Maar theater niet. Aan de andere kant is het mooie dat het doorleeft in de hoofden van de mensen.’

Bambie is een van de happy few die zonder kleerscheuren door de subsidieperikelen rond het nieuwe kunstenplan zijn gekomen. Het Fonds oordeelde bijzonder positief over de groep en kende haar het aangevraagde bedrag toe. Een minpuntje was er wel: aan de ambitie tot meer internationale samenwerking ontbrak volgens de commissie nog een ‘overtuigende visie hoe Bambie de wereld kan veroveren’. Stavenuiter en Van der Laan begrijpen die kritiek wel. Stavenuiter: ‘De afgelopen jaren zijn we wel ingegaan op aanvragen uit het buitenland om te komen spelen of workshops te geven. In de aanvraag hebben we aangegeven meer gericht te werken aan internationale projecten en daar ook het initiatief toe te nemen. Maar heel concreet is dat inderdaad nog niet.’ Van der Laan: ‘We willen meer voet aan de grond krijgen in het internationale circuit. Onze voorstellingen zijn heel geschikt om over de grenzen te spelen. Wij willen ook elders laten zien dat deze vorm van theater bestaat. In die zin wil ik de wereld veroveren.’ Stavenuiter: ‘Mensen zijn heel nieuwsgierig naar wat wij doen. Wij spelen geen verhaal van A naar B, maar werken met een heel ander soort dramaturgie, gebaseerd op beweging en het overbrengen van een gevoel. De Nederlandse theatercultuur is uniek, alleen hier is het idee dat kleine groepen op zichzelf kunnen bestaan ook verwoord in beleid. Dat is heel waardevol en mag niet verloren gaan.’