De helden van de mime (terugblik 2010-2011)

Met de naderende donderwolken van de culturele kaalslag doet de mime waar ze goed in is: eigenzinnige voorstellingen maken. Zonder compromissen te sluiten of de eigen theatertaal, hoe abstract of extreem ook, te verloochenen. Is dat in strategisch opzicht verstandig? Nee, misschien niet. Maar het levert wel mooie voorstellingen op.`

‘Wij moeten de wereld in – we moeten de wereld ondergaan, omdat we ’m willen veranderen.’
(Rob de Graaf, Dallas)

In Dallas brengt Marien Jongewaard een monoloog van Rob de Graaf. Met een bijna maniakale energie zet hij in drie delen een zekere John (F. Kennedy) neer, een verkoper van ‘happy bracelets’ en een vluchteling. Dallas toont het idealisme van John, in de vrije blije kleuren en geuren van de jaren zeventig, met de geneeskrachtige dampen die daarbij horen. John wil niets anders dan vrede brengen in de prachtige nieuwe wereld die Amerika is. De andere twee delen tonen de keerzijde van dat idealisme. De verkoper probeert geluk te verkopen in de vorm van armbandjes in een samenleving waar de kloof tussen arm en rijk alleen maar groter wordt en de vluchteling krijgt een tirade over zich heen met de meest populistische krachttaal die je je kunt indenken. Maar geen van deze drie mannen laat zich klein krijgen door de krachten die hen tegenwerken. Ze geloven met volle overtuiging in zichzelf en in hun idealen. En hoewel het nergens écht expliciet wordt gemaakt, gaat het daarmee ook over de kunstenaar Marien Jongewaard. Dallas is een pleidooi om te geloven in wat je doet en je daar door niemand vanaf te laten brengen.

Honend
Anne Breure is zo’n persoon die dat in praktijk brengt. De opmerkelijkste presentatie in Playtime 2011 was die van haar. In een lecture-performance vertelde ze over de totstandkoming van haar project Het Gele Huis. In navolging van Vincent van Gogh droomt Breure van een plek waar kunst, wetenschap, politiek en mensen elkaar kunnen ontmoeten. In maart bouwde zij daarom Het Gele Huis op het Marie Heinekenplein in Amsterdam, waar ze een heel weekend performances en ontmoetingen liet plaatsvinden. Tijdens haar verslag zie je het meteen voor je: aan een tafeltje in het Chinese restaurant aan het Marie Heinekenplein zit de jonge Anne Breure. Tijdens een zelfgeorganiseerde inloopavond vertelt ze de mensen die aanschuiven over haar plannen. Ze overtuigt iedereen van nut en noodzaak van Het Gele Huis met kalme en gepassioneerde gedecideerdheid. Tot iedereen aan het plein ervan weet en erop wacht. Café Barsa levert de stroom en Dirk sponsort het ontbijt. 

Het idealistische streven naar een betere wereld is door zijn naiviteit prachtig en lachwekkend tegelijk. Sommige theatermakers zijn overtuigd dat ze met kunst kunnen bijdragen aan een betere wereld. Andere theatermakers staan daar een beetje honend bij te lachen. Kunst verandert de wereld niet, geëngageerd theatermaken is preken voor eigen parochie. Misschien is dat wel waar, maar het is ook een makkelijke gedachte. ‘Als het toch geen zin heeft, hoef ik er ook geen moeite voor te doen.’ Dapperder zijn de theatermakers die, net als de personages in Dallas, hun nek durven uit te steken en vasthouden aan hun eigen overtuiging. Tegen tijdgeest, tegen praktische bezwaren, tegen criticasters in. 

Theater over theater
In Germanisch Depressief van De Gemeenschap/Roy Peters zit het idealisme vooral in de constante discussie over de waarde van kunst. Vijf Duitse spelers werken aan een abstract bewegingsstuk. Het is twee dagen voor de première van hun voorstelling en het wil allemaal niet zo vlotten. De een wil praten over de betekenis en sociale waarde van het stuk, terwijl de ander gewoon wil doorwerken. 

‘De wereld moeten veranderen door wat wij doen. Onze wereld, de wereld daarbuiten, de derde wereld ook. Als we het daar niet meer over hebben, dan kunnen we maar beter zwijgen.’
(Rob de Graaf, Germanisch Depressief)

De teksten (eveneens van Rob de Graaf) worden afgewisseld met een aantal bewegingsscènes gebaseerd op mimografieën van Etienne Decroux. De spelers hebben daarin een mooie balans gevonden tussen een grappig commentaar op de oubolligheid van de mime corporel en de oprechte poging om de bewegingen zo goed mogelijk uit te voeren. Het prachtige duet tussen de verliefde Christa en Dreas bijvoorbeeld toont de kracht van de heldere articulaties en gebalanceerd dynamoritme. Als de voorstelling uiteindelijk bijna dreigt te mislukken, spreekt een van de personages een mooie slotmonoloog uit. 

‘En dat we moeten blijven proberen om iets te maken dat wel groter is dan wij zelf zijn. Onbestaanbaar misschien – maar het onbestaanbare verdedigen, dat doet alleen de kunst. Ik wil het nog één keer proberen, al kan ik het misschien nog minder goed dan die anderen. Ik wil nog één keer in ‘Depressie’ geloven. Nog een keer weten dat ook wie zwijgt iets kan zeggen. Iets kan zeggen over bloei die altijd tijdelijk is, maar toch altijd weer terugkomt.’
(Rob de Graaf, Germanisch Depressief)

Om vervolgens nog één keer de mimografie uit te voeren, waar ze al die tijd naartoe hebben gewerkt. Met witte gaasdoeken voor het gezicht, zoals het hoort bij Decroux. En dan zit iedereen ademloos te kijken naar hoe Etienne Decroux tot leven komt in Frascati 2.

Ook in Dames en Heren van Martin Hofstra en Raymond Thiry zien we zoekende artiesten. Het duo Lubbe (Raymond Thiry) en Darm (Martin Hofstra) zit flink in de problemen. Hun hoofdact, hond Randy, is overleden. Wat te doen? Na al die jaren leunen op het succes van Randy moeten ze zichzelf opnieuw uitvinden. En dat valt nog lang niet mee. Lubbe praat lang en veel over hun nieuwe situatie, mogelijke oplossingen en de staat van varieté en kunst. Lubbe filosofeert over de nieuwe dimensie die zij kunnen toevoegen door zelf Randy te spelen. Stel je voor, een man speelt een hond die een man speelt. Darm zit er zwijgend naast.

Terwijl Lubbe de denker is, is Darm de doener. Darm gaat uitvoerig aan de slag met een wandelstok, plastic zakjes, een hoedje, een nepbeen, emmertjes. Op zoek naar een nieuwe act die maar niet wordt gevonden. Pas in het laatste deel presenteren zij hun visie op de ‘artiest anno 20nu’ in een conceptuele performance, of een persiflage daarop. Met gestileerde bewegingen, plastic tasjes die aan het stalen afdakje blijven hangen en abstracte muziek. Daarmee gaan zij juist tegen de commerciële tijdgeest in als twee varieté-artiesten die in de avant-garde zijn terechtgekomen.

Geen compromis!
Niet bij alle makers wordt het idealisme vertaald in een expliciete uitspraak over wereld, maatschappij of kunst. In het mimeveld maken makers nog steeds abstracte en eigenzinnige voorstellingen. Zonder compromissen te sluiten houden zij vast aan hun eigen fascinaties, ontwikkelen zij hun beeldende theatertaal en zoeken zij grenzen op. In die voorstelling zit de kracht juist in de abstractie.

Vorig seizoen was in een aantal voorstellingen al te zien hoe het opzoeken van de fysieke grenzen een indrukwekkende ervaring opleverde. Wiek van Schweigman& bijvoorbeeld waarin drie danseressen het opnamen tegen een genadeloos ronddraaiende wiek. Een verkeerde stop en de klap komt. Het collectief Schwalbe met Spaar ze en Op eigen kracht stelde het uithoudingsvermogen op de proef, en in Zonder zwaartekracht draagt men niets dragen Bas van Rijnsoever en Floor van Leeuwen elkaar tot ze niet meer kunnen.

In deze gevallen overstijgt de vorm de inhoud. De uitputting gaat ook over wat je kunt geven en hoever je daarin kunt gaan, de bewegingen roepen gevoelens en gedachten op over liefde, doorzettingsvermogen, de overweldigende wereld en opoffering.

Zweep, dit jaar in première, van Schweigman&, ligt in diezelfde lijn. De fysieke gevaren voor de spelers zijn net zo genadeloos als in Wiek, getuige de grote pleister op de kuit van Klara Alexova en de verzwikte enkel van Birgit Gunzl. In een vierkante arena bewegen zich vier performers, continu ‘gewapend’ met zwepen in verschillende maten. Ze zwaaien, zwiepen, slepen, kronkelen en knallen. Soms lijken de zwepen een eigen leven te leiden, soms zijn het verlengstukken van het lichaam. In verschillende scènes worden de bewegingskwaliteiten van de zweep nauwkeurig uitgewerkt, van hypnotiserende mantra tot angstaanjagend knallen. Waar Schweigmans eerdere voorstellingen een strijd toonden tussen lichaam en ruimte blijft Zweep net te veel hangen op de gimmick van de vervaarlijke zweep om de vorm te ontstijgen. Daardoor gingen de scènes niet verder dan beelden en bewegingen met een imposant object. Slechts in enkele momenten wordt de strijd tussen lichaam en object voelbaar. Zoals in de scène waarin een danseres twee zwepen aan haar handen heeft die ze niet onder controle lijkt te hebben. Alsof de objecten een eigen leven leiden en haar daarin meeslepen. Tot aan de voeten van het publiek toe. 

Aangrijpender was de beeldende, abstracte voorstelling Lost & Found van Melih Gencboyaci. Daarin glijden drie spelers als glibberige zeepjes over de vloer. De grote glazen vaten olijfolie die aan het plafond hangen zijn na de eerste vijftien minuten van de voorstelling al nagenoeg leeg. De drie spelers, Hilde Labadie, Ariadna Rubio Lleó en Karel Tuytschaever, zijn gedrenkt in olie. Drie spelers op de vloer zo vol olie dat alle grip op vloer en elkaar zoek is. Gecontroleerde beweging is nagenoeg onmogelijk, wat heel mooie concentratie oplevert van de spelers die in die glibberige wereld associatieve scènes spelen over drie geliefden. In die wereld is er enerzijds de liefdevolle sensualiteit van de soepele huid en anderzijds de machteloosheid van elkaar proberen vast te houden, wat uiteindelijk niet lukt.
De fysieke vertaalslag hiervan in de olijfolie is in sommige gevallen letterlijk, zoals in de omhelzing tussen twee mensen waarin de een de ander steeds ontglipt. Maar vaker roepen de beelden en bewegingen intuïtief een gevoel van verlangen en onvermijdelijkheid op.

 Les Spectateurs van Lotte van den Berg bij Omsk vroeg niet zozeer het uiterste van het fysieke kunnen van haar spelers, maar daagde door haar verstilde beeldentaal het publiek uit tot geconcentreerd kijken. Van den Berg werkte vorig jaar een tijd in Congo met een groep Nederlandse en Congolese kunstenaars. Ze kwam terug met een hoofd vol verhalen, ervaringen en beelden en maakte daaruit de voorstelling Les Spectateurs. Een voorstelling die niet over Congo gaat, maar over het onvermogen om dichter bij elkaar te komen. In de hal van het Energiehuis in Dordrecht kijkt een jonge blonde vrouw (Floor van Leeuwen) hoe het publiek binnenkomt en een plekje zoekt op de tribune. Als iedereen zit komt ze bij het publiek zitten. Een donkere man komt op, loopt naar de achterste muur en kijkt naar ons. En wij kijken terug. Ondertussen zingt op de achterste rij van de tribune een zangeres in een voor ons onverstaanbare taal en wordt op de vloer een installatie opgebouwd van poppen van plastic zakken die met windmachines een indrukwekkende tornado vormen. De vrouw gaat naast de man staan, waarop de man wegloopt. Later nodigt de vrouw het publiek uit om samen iets te drinken. Terwijl iedereen op de vloer staat met een glas wijn in de handen klimt de vrouw op de tafel en spreekt een tekst uit in diezelfde onverstaanbare taal. De zwarte vrouw neemt het over met een gezongen/gescandeerd Hallelujah. Het zijn bezwerende klanken op een hypnotiserend ritme. Het publiek mag daar even heel dichtbij staan en proberen er deel van uit te maken. Het is de poging die telt. Les Spectateurs is een associatieve voorstelling over het onvermogen om bij elkaar te komen. Als de jonge vrouw naast de man gaat staan loopt hij weg. Ze zoekt naar woorden maar vindt die niet. Ze spreekt een tekst, maar moet de uitgeschreven tekst vanaf een muziekstandaard oplezen.

Hoera voor de helden
Theatermakers als Marien Jongewaard, Anne Breure, Roy Peters, Lotte van den Berg, Melih Gencboyaci en alle anderen tonen aan dat het tijd is om de woorden uit de inleiding terug te nemen. Met de naderende donderwolken van de culturele kaalslag doet de mime waar ze goed in is: eigenzinnige voorstellingen maken. Zonder compromissen te sluiten of de eigen theatertaal, hoe abstract of extreem ook, te verloochenen. Is dat in strategisch opzicht verstandig? Ja, want het is met de kunst pas echt gedaan als je niet langer vertrouwt op je eigen artistieke fascinaties. De kunst heeft dit soort helden nodig.