Marcel Bogers: het verdiepen van een visuele cultuur

(eerder verschenen in TM, februari 2007)

Voor de nieuwe generatie theatermakers zijn mime en bewegingstheater belangrijke inspiratiebronnen. Daarmee treedt de mime buiten haar grenzen en wint ze aan belang in het bredere theaterveld. Die toegenomen belangstelling slaat terug op het centrum van de mime in Nederland, het in Amsterdam gevestigde Veemtheater, waar Marcel Bogers de artistieke leiding voert.

Het Veemtheater is de enige werkplaats die zich specifiek richt op mime. Het is dé broedplaats voor de beginnende mimemaker. De binding van het Veemtheater met de mimeopleiding van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten is dan ook vanzelfsprekend sterk. Artistiek leider Marcel Bogers voelt zich verantwoordelijk voor de doorstroming van de mimestudenten. Mimers als Boukje Schweigman en Ton Heijligers vonden en vinden bij het Veemtheater onderdak. Maar een opleiding met een eigen werkplaats, dat voert ook weer te ver, meent Bogers, die verantwoordelijkheid wil nemen voor de ontwikkeling van de discipline in brede zin. Dus biedt hij ook makers van buiten de opleiding die met fysiek en beeldend theater bezig zijn een plaats. Zoals Jef van Gestel van de Toneelacademie in Maastricht of Lidy Six van de regieopleiding. En ook de wat oudere generatie mimers, met makers als Rob List, Karina Holla en Jan Langedijk, kan in het Veemtheater terecht.

Een van de nieuwe aanwinsten bij het Veemtheater is Fabián Santarciel de la Quintana. Santarciel de la Quintana studeerde vorig jaar af aan de mimeopleiding met Succesvol, waarin drie mensen die elkaar niet kennen in een wachtruimte zitten. ‘Dat was mime in optima forma,’ vertelt Bogers. ‘Door hun handelingen, door de manier waarop ze op een stoel zitten of binnenkomen, geven de personages een beeld van hun karakter en van hun verhouding tot elkaar, zonder te psychologiseren. Dat beeld ontstaat uit timing en uit plaatsing in de ruimte, daar is geen taal voor nodig.’

Beeldcodes

Mime is als jonge discipline voortdurend in beweging. Het genre laat zich moeilijk definiëren: de grenzen van de discipline worden door de makers steeds opnieuw onderzocht. Toch is voor Bogers duidelijk wat mime is en wat niet. ‘In de mime is het beeld de betekenisdrager. Mime onderscheidt zich door de benadering vanuit de beweging, het beeld of de ruimte. Als mime al tekst gebruikt, is het slechts een van de middelen om betekenis over te brengen. De kernbetekenis van een mimevoorstelling wordt, anders dan bij toneel, niet door de inhoud van de taal overgedragen.

‘Onze cultuur is gestoeld op een tekstgebonden traditie. Vanuit de ontwikkeling in de media, door fenomenen als reclame en televisiefilms, is die cultuur enorm gevisualiseerd. Jongere makers zoals Jetse Batelaan, Jef van Gestel, Gienke Deuten en Ine te Rietstap hanteren beeldcodes. Zij gebruiken beelden die refereren aan associaties en gevoelens. De beelden en associaties die een tekst oproepen, spelen zich altijd in je hoofd af. Daardoor ontstaat een ander soort interactie dan de talige. De gelaagdheid in mime ontstaat door die beeldcitaten. Als je die niet herkent, zie je alleen de oppervlakte van het beeld. Ik zie het als mijn taak uit te dragen dat die visuele cultuur, die vaak wordt afgedaan als oppervlakkig, ook een verdieping met zich meebrengt.’

Politiek bedrijven

Bij de nieuwe generatie makers ziet Bogers een sterke maatschappelijke betrokkenheid. In de harde jaren tachtig, waarin mensen in hun eigen wereldje zaten en minder oog hadden voor de ontwikkelingen op wereldschaal, werd vooral naar binnen gekeerd theater gemaakt. Door de mondialisering en de opkomst van nieuwe media is de samenleving daarna steeds opener geworden, waardoor alles meer met elkaar lijkt samen te hangen. Mensen zijn zich meer betrokken gaan voelen bij wat er in de samenleving gebeurt. ‘Sinds een paar jaar zie ik twee ontwikkelingen bij nieuwe makers. Enerzijds hebben ze meer voeling met de actualiteit en zijn ze meer politiek geëngageerd. Eric de Vroedt is daar een goed voorbeeld van. Anderzijds zijn er makers die meer kiezen voor vorm en poëzie. Olivier Provily heeft eens iets gezegd in de trant van: “Het politieke is het persoonlijke is het poëtische.” Dat is zijn manier van politiek bedrijven. Helaas wordt dat te vaak als een vorm van escapisme beschouwd, maar het is een manier om je tot de wereld te verhouden. Poëzie is net zo goed een statement. Het zegt namelijk dat er ruimte moet zijn voor schoonheid in een lelijke, harde en agressieve wereld. 

Bij makers als Jetse Batelaan, Kassys, Ton Heijligers, Olivier Provily, Boukje Schweigman en Gienke Deuten gaat het niet om politiek engagement, maar om persoonlijk engagement. Van een maker mag je verwachten dat hij persoonlijk geëngageerd is omdat hij iets te vertellen moet hebben. Anders kan hij geen theater maken. De persoonlijke vertaling van zijn relatie met de wereld waarvan hij deel uitmaakt, dat is persoonlijk engagement. Mimers zijn wel degelijk bezig met de actualiteit, maar ze nemen die meestal niet letterlijk in hun voorstellingen op. Dat is hun talent ook niet. De mimer is vooral bezig met het vormgeven van wat er aan de hand is.’

Zo was het uitgangspunt van de voorstelling Simon says van Sarah Ringoet de gewelddadige en destructieve kant van de mens. In de uiteindelijke performance zijn drie vrouwen te zien die op een of andere manier proberen een relatie met elkaar aan te gaan. Ze houden elkaar vast in een omarming die een worsteling wordt, zoeken toenadering en stoten elkaar af. Dit alles in een sobere choreografie waarin nauwelijks uitbarstingen van agressiviteit voorkomen, maar waarin de spelers in een alles onderdrukkende beheersing beelden vormen. Een actueel thema als geweld wordt door Ringoet in een abstracte en poëtische vorm gegoten.

Terwijl Ringoet uitgaat van een ‘groot’ onderwerp als de destructieve neigingen van de mens, vertrekt Jan Langedijk vanuit het persoonlijke, zoals in Petrus Johannes Severinus (PJS). Hij vroeg zijn vader en zijn zoon samen met hem een voorstelling te maken. Het eindresultaat was in december te zien in het Veemtheater. De voorstelling begint met een film die toont hoe Langedijk met zijn vader terug gaat naar zijn geboortedorp in Friesland. Ze lopen langs de kerk, het ouderlijk huis, over de begraafplaats. Ondertussen vertelt de vader over zijn diensttijd in Nederlands-Indië en zijn terugkeer. Tussendoor zijn beelden gemonteerd van de zoon die door de drukke straten van Amsterdam fietst. De voorstelling gaat over generaties, over het overdragen van kennis, over verleden en toekomst, over een wereld die verandert. PJS toont de potentiële zeggingskracht van het persoonlijke.

Bezieling

Een andere mimer die op de bewondering en de steun van Bogers mag rekenen is Rob List. ‘Ik ben echt fan van zijn werk. Jammer genoeg trekt hij nauwelijks publiek. Terwijl hij juist nu heel erg belangrijk is. Wat er met Rob List gebeurt, is eigenlijk een tegengestelde beweging aan de Bambie-generatie die halverwege de jaren negentig opkwam. Deze generatie heeft ontzettend veel behoefte aan contact en interactie. Het theater tot halverwege de jaren negentig was sterk naar binnen gekeerd. Dat is gelukkig helemaal opengebroken. Rob List daarentegen durft moeilijk en tegendraads te zijn. Hij is in zijn laboratorium met zijn eigen onderzoek bezig. Af en toe mag je een luik opentrekken en even meekijken. Dat betekent dat je als publiek veel meer naar voren zult moeten zitten in plaats van dat je achterover kunt leunen. Dat is ook interactief, maar op een heel andere manier.’

Rob List speelde in december vorig jaar zijn solo Engrave. In de halfduistere ruimte, waarin de toeschouwers tegen de vier wanden van de zaal zitten, wordt een rechthoekig vlak op de vloer verlicht. List voert een bewegingssequentie uit waarin het lichaam zich probeert te verhouden tot dat vlak. Het is een abstracte voorstelling, die neigt naar het hermetische van de jaren tachtig waarvan Bogers juist blij was dat het voorbij was. Hoe laten zijn bewondering voor het gesloten onderzoek van List en zijn afkeer van het naar binnen gekeerde theater zich rijmen?

‘Het moet bezield zijn. Dat less-is-more-principe van List vind ik interessant. Er is steeds minder te zien, maar toch verveelt het niet. Ik wil ernaar blijven kijken. Dat heeft volgens mij te maken met een energetische werking van het lichaam. Het lichaam in de ruimte is de basis van theater, zeker van de mime. Maar het lichaam is ook een huis van meer. Als ik ontzettend lach, lach jij een beetje mee, of je het grappig vindt of niet. Als iemand verkrampt is, dan word je daar ook ongemakkelijk van.’

Bogers doelt op een vorm van communicatie die verder gaat dan het rationele en het zintuiglijke. Waar teksttheater voornamelijk het verstand aanspreekt en beeldend theater de zintuigen, is er ook een vorm van communicatie die zich op een onbewuster niveau afspeelt. Deze vorm van communicatie, die Bogers energetisch noemt, is in theater uitermate belangrijk. En onderscheidt zich daarmee van andere vormen van kunst. In theater is het immers zo dat toeschouwer en speler zich tegelijkertijd in dezelfde ruimte bevinden. De energetische mogelijkheden die theater uniek maken, worden volgens Bogers nog niet ten volle benut.

Toekomstmuziek

Bogers beschrijft een ontwikkeling in golven. Van het naar binnen gekeerde theater in de jaren tachtig tot het verlangen naar contact dat sinds de jaren negentig zichtbaar is. En daarnaast een beweging in de richting van vorm en poëzie bij de nieuwste generatie mimers. Deze ontwikkeling zou kunnen leiden tot een meer gesloten vorm van mime. ‘Dat is de consequentie van vormontwikkeling. Het gaat nu goed met de mime. Maar er is een ontwikkeling gaande waarvan ik hoop dat het publiek die kan volgen, dat het publiek zich mee ontwikkelt. De consequentie van de beweging naar vorm en poëzie is verdieping. Je voelt ook dat makers zelf op een gegeven moment willen verdiepen. Dat mag je ook van hen eisen. Je mag verwachten dat een maker, als hij al een tijd lang hetzelfde theater maakt, wil weten wat er achter de bekende wereld ligt, of zelfs op zoek gaat naar een nieuwe wereld. Het is een verdieping die onontkoombaar is.’

Bogers ziet het als zijn taak om met het Veemtheater niet alleen de eigen mimers te vertegenwoordigen, maar de gehele mimediscipline. Niet om een stem te zijn voor theatermakers die weinig publiek trekken, dat klinkt hem te defensief.

‘Als de mime zich meer gaat toeleggen op onderzoek en daardoor minder toegankelijk wordt, is het onze taak om uit te leggen dat dit van belang is voor de ontwikkeling van de kunst. Dan is het belangrijk dat er een plek als het Veemtheater is.’ Graag zou Bogers dan als gids functioneren. Door het veld te overzien, verbanden te leggen tussen makers en ontwikkelingen aan te geven, om op die manier een bewegwijzering te kunnen vormen in de wereld van de mime.