Mime is de ultieme vrijheid

 

(eerder verschenen in TM, mei 2007)

Negen afstuderende mimestudenten uit Amsterdam tonen deze maand hun afstudeervoorstellingen in het festival Playtime! in het Veemtheater. Inez Almeida, Johanna Biesewig, Sharon Bouman, Lieke Jetten, Linar Ogenia, Laurens Oliveiro, Janice Slot, Sarah Vanhee en Art-Jan de Vries kijken terug op hun jaren bij de Mime Opleiding en proberen onder woorden te brengen waar volgens hen de kracht van de mime te vinden is.

De Mime Opleiding zoals die nu bij de Amsterdamse theaterschool bestaat komt voort uit een fusie van de Nederlandse Mimeschool van Jan Bronk en de School voor Bewegingstheater van Frits Vogels in 1968. De opleiding baseert zich in beginsel op de bewegingsleer van Etienne Decroux. Iedere artistiek leider drukte in de afgelopen veertig jaar zijn eigen stempel op de opleiding. Zo bracht Tom Jansen de tekst in de mime en legde Rob List opnieuw de nadruk op de pure bewegingskunst in de mime naast de meer ‘toneelmatige’ mime. De bewegingsanalyse en de theatrale verwerking ervan vormen nog steeds de basis van de opleiding. Deze basis wordt aangevuld met spellessen, dramaturgie en andere vakken. Vandaag de dag krijgen de studenten een breed scala aan lessen van uiteenlopende docenten. Binnen die diversiteit zoekt de student zijn of haar eigen weg.

Voor Art-Jan de Vries is dat waar de mime eigenlijk om draait: ‘Mime is de oneindige zoektocht naar waar je zelf voor staat, wie je bent en wat je wilt meegeven aan een ander. En dat gaat vooral over eigenheid.’

‘Mime is een theatervorm die heel rijk is,’ stelt Janice Slot. ‘Je kunt alle ingangen gebruiken, alles wat op je afkomt, al je persoonlijke fascinaties. Dat geeft vrijheid. Die voorstelling is dan echt van mij. Daarom heeft mime ook geen repertoire. Als acht andere spelers mijn afstudeervoorstelling zouden spelen, zou het een andere voorstelling worden.’

De negen studenten kijken terug op vier (in een enkel geval vijf of zes) jaar Mime Opleiding en zien vooral een groei in de eigen autonomie. Het ontwikkelen van een eigen handschrift en het daarop durven vertrouwen zijn essentiële verworvenheden. Inez Almeida: ‘Deze opleiding is een reis om jezelf te vinden. Je identiteit als kunstenaar en wat je wilt met theater.’ Johanna Biesewig vult aan: ‘Je wordt vaak gevraagd waarom je theater maakt en wat jouw visie is. Je keert steeds weer naar jezelf terug met de vraag waarom je dit doet. Niet alleen omdat het leuk is, maar omdat je moet proberen uit te vinden wat je ermee wilt.’

Die eigenheid leidt tot een grote diversiteit binnen de mime. Marien Jongewaard, Bambie en Boukje Schweigman zijn, dat zal duidelijk zijn, niet met elkaar te vergelijken. Toch hebben ze alledrie de Mime Opleiding als achtergrond. Die diversiteit wordt ook zichtbaar bij de afstudeervoorstellingen van de nieuwe lichting. Art-Jan de Vries maakte een afstudeersolo, waarbij het publiek aan kleine tafeltjes zit. De Vries speelt afwisselend zichzelf en Marja. Marja is een humoristisch en tegelijk ontroerend portret van een eenzame vrouw. Sarah Vanhee maakte een energieke en humoristische voorstelling, getiteld 4000 trees, a red dress and an apple (possible story), over het creëren van verhalen. Een man, gespeeld door Fabián Santarciel de la Quintana, vertelt het publiek een verhaal. Het lijkt alsof hij het verhaal ter plekke verzint, alsof hij het voor zich ziet. Hij corrigeert zichzelf soms, twijfelt, past zijn creatie aan. Zijn verbeelding komt tot leven in de vorm van drie andere spelers die zijn fantasie spelen, maar soms ook proberen het verhaal en de verteller te manipuleren.

Van een pantomimepersiflage tot een meer tekstuele constructie: alle negen makers werken in verschillende stijlen, verschillende sferen en met verschillende uitgangspunten.

Hiphop

De diversiteit die de mime kenmerkt vloeit niet alleen voort uit die eigenheid, maar ook uit een open houding naar andere disciplines, zoals beeldende kunst en muziek. Dat de mime als genre wordt gekenmerkt door het vermogen samen te werken met en op te gaan in andere disciplines, wordt vaak als zwakte gezien. De mime zou te onzichtbaar zijn om als autonome discipline te kunnen gelden. De studenten zien in dat vermogen juist de kracht van de mime. Het multidisciplinaire karakter van de mime, het vermogen tot ‘fusion’, biedt mogelijkheden om alles te doen en te laten wat je wilt: de ultieme vrijheid. Linar Ogenia vergelijkt de mime met hiphop, waar zijn roots liggen. ‘Mijn fascinatie was en is hoe ik hiphop, breakdance en spoken word kan mixen in het theater. Mime is een heel goed medium om dat te doen. Mime is eigenlijk zelf ook hiphop. Het pakt alle elementen, muziek, beweging, visuele kunsten, bij elkaar en maakt er een geheel van.’

Laurens Oliveiro gaat verder. Volgens hem is mime de toekomst. Mime kan een uitweg bieden uit het huidige gesloten theater van sommige gevestigde gezelschappen. Dit heeft alles te maken met het gegeven dat juist de mime meer mogelijkheden biedt tot interactie met het publiek. Geen van de mimers ziet nog heil in de vierde wand. Ogenia: ‘Het enige dat theater onderscheidt van televisie en computer is de directheid van de aanwezigheid van spelers en publiek. Daar zou theater zijn slag moeten slaan. Op het moment dat theater dat niet doet, loop je het risico oubollig en gesloten theater te maken, dat alleen ouden van dagen nog interessant vinden. De jongere generatie gaat achter de computer zitten. Daar vindt ze, bijvoorbeeld in Second Life, veel meer interactie. Het lullige daarvan is alleen dat je tegen een scherm zit aan te kijken. En dat je met iemand zit te praten van wie je nooit zeker weet wie hij in werkelijkheid is. In theater zie ik wie er staat. En kun je direct worden aangesproken in plaats van via elektronische lijntjes.’

Ontmoeting

Sommige van deze studenten zoeken letterlijk de interactie met publiek. In Marja van Art-Jan de Vries krijgen de toeschouwers een ansichtkaart die ze naar elkaar moeten opsturen. Laurens Oliveiro deelt in Arranging Rage dropjes uit, wordt boos op de ene toeschouwer en danst met de andere. De Vries wil laten zien hoe gemakkelijk het is met elkaar in contact te komen. Oliveiro gebruikt publieksparticipatie om een onvoorspelbaar element aan zijn voorstelling toe te voegen. Ook Sarah Vanhee ziet in de live aanwezigheid van spelers en publiek het unieke van theater, hoewel zij niet letterlijk met publieksparticipatie werkt. ‘Ik vind die ontmoeting uniek. Makers en spelers kiezen ervoor mensen uit te nodigen en zich in handen van het publiek te geven. Het is een soort geschenk. Een publiek geeft zich aan een maker over in een ruimte waar het niet uit kan. Je kunt de werkelijkheid in die ruimte intens weergeven en beleven door heel simpele middelen. Dat vind ik fascinerend. En ook noodzakelijk, vooral nu. We leven in een beeldcultuur waarin alle beelden mogelijk zijn, maar wel tweedimensionaal. Alles is een plat scherm geworden. In het theater zit er echt iemand voor je in de ruimte, een driedimensionale figuur. Door die live aanwezigheid wordt het veel werkelijker en spannender maar ook sensitiever, sensueler, meer confronterend.’

Inez Almeida spreekt ook over theater in termen van een ontmoeting tussen speler en publiek. ‘Alleen kan ik nooit spelen. In theater gaat het ook over het publiek dat komt kijken en dat je in je eigen wereld uitnodigt. Ik wil samen met het publiek iets ervaren. Ik wil dat wat ik doe effect heeft op de toeschouwers maar ook andersom, dat wat er in het publiek gebeurt invloed heeft op mij.’ Het is voor haar van groot belang zich als speler in het hier en nu te bevinden; je moet vergeten dat je die avond ervoor precies hetzelfde hebt gedaan. In haar afstudeersolo, Life in a Crumble, onderzoekt ze dat. De voorstelling begint met een vrouw die in een schijnbaar onmogelijke positie op de grond ligt, onder aan een touw, alsof ze net is gevallen. Door het ongeluk herinnert de vrouw zich niet meer wie ze is. Ze twijfelt aan alles en alles overkomt haar voor de eerste keer. Door te kiezen voor een personage dat niets meer weet, probeerde Almeida in haar spel de kwetsbaarheid van het niet meer weten te onderzoeken. ‘Die kwetsbaarheid is heel transparant en daardoor ontroerend. Je ziet de persoon achter het personage. Dat is een specifieke kwaliteit van de mime; mimers blijven dicht bij zichzelf. Daardoor brengt de mime een universele taal die iedereen begrijpt. Als je jezelf kunt uitdrukken met kleine subtiliteiten, dan heb je een heel rijk vocabulaire.’ Sarah Vanhee: ‘Je leert je impulsen te volgen. Daardoor kom je in een gebied dat je zelf ook overvalt en verrast. Als je daarop durft in te gaan, blijf je grenzen verkennen. Het spelen zelf is de enige manier om dat moment steeds opnieuw te creëren. Om die ontmoeting met het publiek waar te maken en het steeds nieuw te laten zijn. Als een speler alles al weet, is het geen interessant theater.’

Tekst en inhoud

Zoals meer mimers maken ook deze studenten gebruik van tekst. De afstudeervoorstelling Es mußte nicht sein van Johanna Biesewig bijvoorbeeld is gebaseerd op een toneeltekst van Max Frisch. In 4000 trees, a red dress and an apple (possible story) van Sarah Vanhee vertelt Fabián Santarciel de la Quintana een verhaal en zelfs Inez Almeida, met haar achtergrond in de dans, heeft bij het maken van haar solo ondervonden wat tekst kan bieden. ‘De teksten brachten een inhoud. Ze gaven een idee over de mentale staat waarin deze vrouw verkeert. De ruimte en de beweging zijn beide abstract en surrealistisch. De tekst maakt het meer concreet door verband te leggen tussen de verschillende theatrale elementen. Ik merkte dat dit voor deze voorstelling heel belangrijk was.’

Maar zoals het de mime betaamt, zoeken deze makers in de tekst altijd naar de vorm en niet naar de psychologie. Johanna Biesewig gebruikte in haar eerdere voorstelling Attempts on her Life de tekst als klank. Biesewig: ‘Het interessante daarin is dat het gevoel niet wordt opgelegd. Het publiek komt vanzelf wel bij die emotie. Dat hoef je niet in te vullen. Als een speler het invult, neem ik zelf als publiek afstand. Terwijl, als je de vorm benadert en niet de psychologie speelt, kun je wel heel veel laten zien van de binnenkant. Omdat je dicht bij jezelf blijft en je niet afsluit voor wat er gebeurt, kan een toeschouwer bijna door je heen kijken. Mime gaat uit van het lichaam in de ruimte. Het gaat uit van de vorm en niet van de psychologie.’

Nu zijn er natuurlijk wel meer theatermakers en regisseurs die met muzikaliteit van taal en ritme van de tekst werken. En er zijn natuurlijk ook wel acteurs die met het drinken van een kopje koffie een hele wereld weten op te roepen. Waarom dan toch mime? Johanna Biesewig: ‘Het zou heel anders zijn geweest als ik mijn voorstelling met acteurs had gemaakt. Voor een mimespeler is het makkelijker om van de psychologie weg te gaan. Om niet in het gevoel van de tekst mee te gaan, maar de vorm te zoeken.’ Lieke Jetten: ‘Ik denk dat wij genuanceerder kunnen voelen wat het betekent als je iets met een tekst of een beweging zegt. Dat is wat je leert op de opleiding: je bewust zijn van de zeggingskracht van wat je staat te doen.’ Incasseren, in het moment zijn, impulsen volgen zijn kwaliteiten die de mimespeelstijl onderscheiden. Door een vorm te tonen in plaats van een personage psychologisch in te vullen, geeft de mime de toeschouwer ruimte om de inhoud zelf door middel van associaties te construeren.

Beweging blijft het voornaamste expressiemiddel. Lieke Jetten geeft met een kopje koffie een kleine demonstratie van de zeggingskracht van beweging. Het snel opslurpen of in het kopje staren voor een slok te nemen, vertelt een heel ander verhaal. Via de beweging kom je makkelijker bij de intentie van een tekst. ‘Een tekst die door iemand anders is geschreven, moet je je op een of andere manier eigen maken. Als je vanuit een fysieke ingang een tekst benadert, gaat het meer leven. Je kunt beweging en tekst loskoppelen, zodat je iets kunt laten zien van de geheime agenda van een personage. Dat maakt het spannend.’ Janice Slot vertelt: ‘In een van mijn voorstellingen heb ik een scène gemaakt waarin ik alleen maar een stukje brood zat te eten. Ik dacht eerst dat alleen maar een stukje brood niet kon. Het is zo weinig. Maar het kan wel. Als het goed gaat, roept dat beeld heel veel vragen en verbeelding op bij het publiek. Dat is wat je wilt.’ Sharon Bouman: ‘Wat je ziet, gaat direct naar je hart in plaats van naar je hoofd. Het kan direct bij je binnenkomen. Daardoor is het universeel en kun je veel mensen bereiken.

Toekomstplannen

Nu de opleiding bijna is afgerond, wordt het tijd voor het echte werk. Plannen zijn er genoeg. Sommige studenten hebben in hun derde en vierde jaar al stages gelopen. Zo speelde Inez Almeida in Vielfalt van Jakop Ahlbom en in Slagschaduw van Boukje Schweigman, die komend seizoen op tournee zullen gaan. Ook Jetlag waarin Johanna Biesewig meespeelde zal worden hernomen. Janice Slot gaat volgend seizoen in een voorstelling van Roy Peters spelen. Lieke Jetten heeft als afstudeerproject een filmpje gemaakt waarin ze vier totaal verschillende personages laat zien en zal zich na het afstuderen vooral richten op een loopbaan als speler in mime, toneel en/of film. De voorstellingen van De Vries en Vanhee zullen deze zomer en najaar nog op verschillende plekken worden gespeeld.

Laurens Oliveiro, Linar Ogenia en Sharon Bouman hebben elkaar tijdens de opleiding gevonden. Met zijn drieën vormen ze de groep Orange Guinea Pigs, waarmee ze na de opleiding verder willen. ‘We hebben alledrie een heel andere manier van werken. Binnen de groep kunnen we onze eigen fascinaties en onze eigen stijl kwijt. Die onderlinge confrontatie, het feit dat je met iemands stijl moet dealen, verrijkt ons. We kunnen werken met elkaars kwaliteiten. En daarnaast helpen we elkaar met wat we minder goed kunnen. In die zin is het werkproces tegelijk een leerproces.’