Anne Breure: het Veem Theater als een huis met open deuren

Eerder verschenen in Theatermaker (april 2014) – dossier mime: de waarde van nul

Het Veem Theater moet een plek worden waar een open debat kan plaatsvinden; een huis waar theater wordt geproduceerd en getoond maar dat ook een voedingsbodem biedt voor experiment en discours. Wat de nieuwe artistiek directeur Anne Breure voor ogen stond met haar afstudeerproject Het Gele Huis bouwt ze nu in het groot uit aan de Van Diemenstraat in Amsterdam.

Continue reading Anne Breure: het Veem Theater als een huis met open deuren

recensie: Do You Still Love Me? (Sanja Mitrovic)

In het ene team: Servane, Sid, Cédric en Ina. Vier professionele performers die de hele wereld over reizen voor hun werk. In het andere team: Gerrit-Jan, Silvia, Janneke en Gert-Jan. Vier voetbalsupporters die de hele wereld over zouden reizen voor hun club, als ze dat zouden kunnen. In Do You Still Love Me? brengt Sanja Mitrovic de twee teams en hun ogenschijnlijke onverenigbare wereld samen in één voorstelling over voetbal, passie en vechten voor je vlag.

Continue reading recensie: Do You Still Love Me? (Sanja Mitrovic)

Recensie: Step by step (Luc Boyer)

“Elke vezel in mijn lijf verzet zich tegen dit lot”, zegt Luc Boyer in het derde deel van Step by Step. Het zijn de woorden die hij sprak in het revalidatiecentrum na zijn beroerte. Een verzet dat er toe heeft geleid dat hij desondanks een drietal kleine voorstellingen maakte: Step by Step by Wheels, Step by Step by Wings en Step by Step by Memories. Nu, precies twee jaar na die beroerte, presenteert hij ze als drieluik in Theater Bellevue.

Continue reading Recensie: Step by step (Luc Boyer)

Recensie: Mooie choreografie van alledaagse eenzaamheid

Met zeventien mensen in één huiskamer toch een gevoel van grote eenzaamheid oproepen. Jakop Ahlbom doet het in zijn nieuwe voorstelling Het leven, een gebruiksaanwijzing bij Dansmakers aan het IJ. Met kopjes thee, blikjes bier, een SM-outfit, een papieren vliegtuigje, een schilderij, een gestreken overhemd bouwt hij een ingenieuze choreografie van kruisende dagelijkse routines die langzaam maar zeker ontspoort.

Continue reading Recensie: Mooie choreografie van alledaagse eenzaamheid

Mime sluit aan bij kijkbeleving van de jeugd

De mime dringt de laatste jaren opvallend door tot het jeugdtheater. Hoe laat zich dat verklaren? Ligt het aan de prominente plek van beeld in de huidige cultuur? Komt het doordat we, mede door de opkomst van internet, fragmentarisch in plaats van lineair zijn gaan kijken? Of komt het door bepaalde trends dat aan oprechtheid en authenticiteit meer belang worden toegekend? In gesprek met artistiek leiders Moniek Merkx (Maas theater en dans), René Geerlings (BonteHond) en Elien van den Hoek (Het Houten Huis).

Continue reading Mime sluit aan bij kijkbeleving van de jeugd

Recensie: I See You (Naomi Velissariou)

Een one night stand, een vakantietrip, een opruimwoede. In I see you, de nieuwe voorstelling van Naomi Velissariou bij Frascati Producties, schilderen drie personages hun onthechte levens in een anonieme stad. Met het publiek langs drie zijden van het speelvlak schuiven de spelers in wit gekleed langzaam heen en weer op hun rolschaatsen over een rood, rechthoekig vlak. Een voorstelling waarin alle ingrediënten prima lijken te kloppen, maar het geheel toch niet de beoogde beklemming weet op te roepen.

Het uitgangspunt van I see you was Huis clos van Jean-Paul Sartre. Een toneeltekst uit 1943 waarin drie mensen in een afgesloten ruimte van de hel tot elkaar veroordeeld zijn tot in de eeuwigheid. Als Velissariou met een repertoiretekst aan de slag gaat, zijn dat geen bewerkingen maar deconstructies. Ze graaft en ontbindt het origineel tot ze bij de kern van het stuk uitkomt. Of misschien beter gezegd: bij de mentaliteit ervan. Ze deed dat eerder al onder andere met A tragedy (simplified) en Kwartet: een powerballad (met performance-collectief Urland). Ook in het geval van I see you valt er weinig te herkennen van de anekdote of de personages uit het oorspronkelijke Huis clos, maar richt ze zich op die thematische mentaliteit: de intermenselijke hel.

Een man (Bram Coopmans) van 41 met een vrouw en een dochter die er ‘even tussenuit zijn’ loopt door een regenachtige stad. Hij komt een jonge, mooie maar beschadigde vrouw (Naomi Velissariou) tegen. Een one night stand volgt. Ondertussen is haar broer (Sadettin Kirmiziyüz) terechtgekomen in een feestweek op een feesteiland waar hij helemaal niet wil zijn.

Alledrie zijn ze ontheemd en uit balans. De vrouw eindigt bij de stortkoker, waarin ze haar complete huisraad weggooit. De broer eindigt in een omhelzing met zijn in plastic gewikkelde rolkoffer. En de man vliegt in een visioen weg met eigen engelenvleugels nadat hij dochter en vrouw (met verwijtende blik) heeft opgehaald van Schiphol.

In de gefragmenteerde tekst van Rik van den Bos en de regie van Eric de Vroedt balanceren de drie spelers tussen personage en verteller. Als vertellende personages proberen ze het verhaal samen te reconstrueren, te herbeleven of aan te vullen met jeugdherinneringen. En alles wat ze doen wordt continu gezien door een ander. Net als de personages van Sartres Huis clos zijn ze veroordeeld tot elkaar. Maar niet alleen de aanwezigheid van de ander of de blik van de ander, ook de eigen blik vormt de hel in I see you. Alsof ze uit zichzelf getreden zijn lijken de personages hun eigen leven als een film te bekijken. Ze zijn niet alleen onthecht van de stad waarin ze leven en de mensen met wie ze leven, maar ook onthecht van zichzelf.

Dat zou heel beklemmend kunnen zijn. Maar dat is het in de uitvoering van Naomi Velissariou niet. Hoe zorgvuldig alle ingrediënten ook zijn uitgedacht, I see you is een bewegend schilderij waar je van een afstandje naar kijkt. Een schilderij over een beklemming die je wel begrijpt, zonder haar ook echt te voelen. Het mooie spel, de intieme opstelling, de dreigende soundscape, de treffende tekst en het kille licht ten spijt. En dat is jammer, want de gelaagde thematiek en de fascinerende vormkeuzes smaken naar meer.

gezien: 7 juni 2014
deze recensie is eerder verschenen op http://www.theaterkrant.nl/recensie/i-see-you/

foto: Anna van Kooij

Recensie: Bug (Jakop Ahlbom)

Er zitten beestjes in de motelkamer van Agnes (Tamar van den Dop). Je kunt ze bíjna niet zien, maar haar nieuwe liefje Peter (Bram Coopmans) weet het zeker. Continu kriebelt en krabbelt hij in de psychologische thriller Bug van Jakop Ahlbom aan zijn been, achter zijn oor, op zijn hoofd. Je zou er zelf haast jeuk van krijgen.

De Amerikaanse toneelschrijver en acteur Tracy Letts (1965) schreef Bug in 1996. In 2006 werd het toneelstuk verfilmd met Michael Shannon in de hoofdrol. Het vertelt het verhaal van Agnes, een gescheiden vrouw in een motelkamer die ’s nachts droomt van haar zoekgeraakte zoon en bang is voor haar onlangs vrijgelaten ex-man. Dan ontmoet ze Peter. Een op het eerste gezicht volkomen ongevaarlijke, zelfs een beetje sullige man. Terwijl er tussen die twee iets moois opbloeit, kruipen de eerste beestjes, en daarmee de waanzin, langzaam maar zeker hun leven in.

Het is niet de eerste keer dat theatermaker Jakop Ahlbom zich laat inspireren door een filmisch gegeven. In Lebensraum bracht hij de zwart-witte slapstick à la Buster Keaton naar het theater en in Innenschau creëerde hij een David Lynch-achtige wereld. Daarbij maakt hij steeds gebruik van ingenieuze visuele effecten die raakvlakken hebben met goochelen, illusionisme en acrobatiek. Ook in Bug zien we die effecten. Er is plots een derde hand die het hoofd van Peter streelt, er wordt een kies getrokken in een scène waarbij je je handen voor je ogen houdt en een uit zichzelf draaiende tol herinnert aan het verloren kind. De muziek (opnieuw van Alamo Race Track) en de videoprojecties voegen daar een dromerige en surreële laag aan toe. Dat is een van de krachten in het werk van Ahlbom: het creëren van verwarrende en ongrijpbare werelden waarin niets is wat het lijkt.

Bug is dan ook het spannendst als er alleen nog het vermoeden van beestjes is. Naarmate het verhaal vordert, sleurt Peter Agnes mee in zijn wanen over een grootschalig complot en blijft er steeds minder te raden over. Aan het eind is er maar één waarheid: die man is volkomen knetter. Misschien is dat vooral te wijten aan de Amerikaanse oorsprong, maar wat meer ruimte voor andere waarheden was best welkom geweest.

Gezien: 8 februari 2014
www.jakopahlbom.nl
foto: Sanne Peper

Deze recensie is eerder verschenen op www.theaterkrant.nl

Een duik in het London International Mime Festival

 

Het is altijd leuk als een landgenoot wordt bejubeld in het buitenland. Toegegeven, Jakop Ahlbom is een geboren Zweed, maar wat theateropleiding betreft is hij een getogen Nederlander. Zijn voorstelling Lebensraum stond begin dit jaar op het programma van het London International Mime Festival. Recensenten van The Observer, The Guardian en The Evening Standard gaven drie tot vier sterren, loofden de precisie van de uitgevoerde slapstick en de balans tussen humor en verontrusting. Ook de prestaties van de acteurs, met name die van Silke Hundertmark, werden opgemerkt. Allemaal volkomen terecht natuurlijk, glim ik met (on)gepaste trots bij het lezen van de recensies en reacties.

Maar er valt nog iets op aan de verschenen artikelen. Bijna alle Engelse recensenten duiken dieper in de achterliggende thema’s dan de Nederlandse critici deden ten tijde van de première in 2012. In de Britse recensies vallen termen als identiteit, ‘male domination’, nazi-Duitsland, Frankenstein en genderpolitiek. En dat is misschien wel tekenend voor een festival waarin de voorstellingen zo’n samenspel tussen vorm en inhoud aangaan dat die inderdaad niet in één te benoemen laag te vangen zijn.

Het London International Mime Festival (LIMF) is een jaarlijks terugkerend festival gericht op hedendaags visueel theater. Gedurende een dikke drie weken zijn voorstellingen uit Frankrijk, Groot-Brittannië, Tsjechië en Spanje te zien in verschillende theaters in de stad. Van de studio van de theaterschool tot de kleine zaal van het prestigieuze Royal Opera House. De artistieke leiding is in handen van Joseph Seelig en Helen Lannaghan.

Het openingsweekend staat, behalve de voorstelling van Ahlbom, in het teken van de Fransen. Van Phia Ménard (Compagnie Non Nova) zijn twee korte voorstellingen te zien: Vortex en L’après-midi d’un foehn. Mathurin Bolze (Compagnie MPTA) presenteert A bas bruit.

Zakjes

Stel je voor: de Amsterdamse Hogeschool van de Kunsten vestigt zich aan de NDSM-werf. In een gebouw met rode bakstenen en grote ramen in strak vormgegeven kozijnen is ruimte gemaakt voor ateliers en studio’s. Studenten lopen in en uit in deze creatieve hotspot in een voorheen industrieel gebied. En er is een goed uitgeruste theaterzaal. Dan zou je iets hebben als het Platform Theatre, een van de locaties van het LIMF. De koffie is er niet te drinken maar het bier is goedkoop, de wifi is gratis en er hangt een aangename, creatieve sfeer. Hier zijn de twee voorstellingen van de Franse Phia Ménard te zien, beide startend vanuit hetzelfde uitgangspunt.

Het publiek zit rondom een cirkelvormig speelvlak dat omgeven is door ventilatoren. De performer zit in het midden. In L’après-midi d’un foehn (een foehn is in het Frans een föhn-wind) is dat een jonge vrouw, gekleed als boeddhistisch monnik. Ze knipt en plakt een klein menselijk figuur uit een plastic zakje. De ventilatoren gaan aan en de luchtstromen blazen leven in het plastic figuur. Het beweegt, vult zich met lucht, vliegt en danst. Gaandeweg voegt de speler meer en meer zakjes toe. Er ontstaat een verbazingwekkende choreografie in steeds wisselende theatrale beelden, waarbij de performer als ‘spiritueel wezen’ de plastic zakjes leven geeft, neemt, beschermt en straft.

Van de twee voorstellingen van Ménard maakt met name Vortex indruk. De centrale persoon in deze arena is een dikke man in een grijs pak. Wat begint met het rondblazen van de plastic mensjes ontwikkelt zich naar een performance waarin steeds meer plastic zakken onder zijn kleding vandaan komen. Van kleine witte zakjes tot uiteindelijk een grote zwarte sliert plastic, alsof hij alle narigheid uit zijn lijf kotst. Tot uiteindelijk alle lagen van zijn geconstrueerde identiteit zijn afgepeld en een jonge vrouw met haar blote huid in het centrum van de speelvloer overblijft. In Vortex gaat Ménard voorbij aan de gimmick van de zakjes en de ventilatoren. De wetenschap dat Ménard geboren is als jongen en inmiddels als vrouw door het leven gaat geeft extra lading aan de voorstelling.

Loopband

Stel je voor: de Amsterdamse Stadsschouwburg had niet de grote Rabozaal bijgebouwd maar een kleine Melkweg-studio. Met driehonderd zitplaatsen en alle technische faciliteiten die je nodig hebt. En met een stemmig ingerichte foyer met blow-ups van theaterfoto’s waar hippe twintigers en dertigers te dure wijn uit te grote glazen drinken. Dan zou je iets hebben als de Linbury Studio van het Royal Opera House. Waar de koffie overigens opnieuw niet te drinken is.

In deze zaal is tijdens het LIMF A bas bruit te zien van Mathurin Bolze. Een voorstelling met raakvlakken met dans, mime en acrobatiek. Het decor bestaat uit houten podiumdelen in verschillende hoogtes, een projectiescherm en een enorm looprad. In een van de podiumdelen is een loopband verwerkt. Hierin bewegen twee mannen en één vrouw zich continu in verschillende samenstellingen en wisselende intenties. Van een prachtig liefdevol duet tussen een man en een vrouw in moderne dans en acrobatiek tot een bewegingssequentie waarin de drie performers continu van plek wisselen. A bas bruit lijkt te gaan over een wereld die continu in beweging is. In het slotbeeld wordt, uit het niets, een verwijzing gemaakt naar revoluties en mensenmassa’s die in beweging komen. Maar dat is de enige smet op een verder fascinerend geheel.

(eerder verschenen in Theatermaker, april 2014)

 

Karina Holla: De fascinatie van het totale anders-zijn

 

Karina Holla, mimespeelster en –maakster van het eerste uur, vertelt aan de vooravond van haar nieuwe voorstelling Fremd-Körper over haar passie voor de mime, haar aansporing aan studenten om hun eigen pad te bewandelen en over de beginjaren van de mime in Nederland, toen alle mogelijkheden nog open lagen maar het tegelijk vechten was om een publiek te vinden dat het genre kon begrijpen.

Je moet de moed vinden om te durven vallen, zegt Karina Holla het liefst tegen haar studenten aan de mimeopleiding in Amsterdam en de acteursopleiding in Utrecht. Zelf vindt ze die moed bij dappere kunstenaars als Louise Bourgeois, Franz Kafka of Valeska Gert. Maar ook in het verhaal van de hoofdpersoon in haar nieuwe voorstelling Fremd-Körper. Stuk voor stuk mensen die het aandurfden van het geijkte pad af te wijken en totaal anders naar de wereld te kijken.

In een studio aan de Amsterdamse wallen werkt Karina Holla toe naar de werkvoorstelling Fremd-Körper die in april in het Ostadetheater te zien zal zijn en vervolgens komend najaar in de Toneelschuur in Haarlem in première gaat. Het krijtbord staat volgeschreven met aantekeningen en aan de kant liggen opengeslagen boeken en geprinte afbeeldingen.

Overlever

Fremd-Körper is geïnspireerd op het verhaal van een vrouw wier man overlijdt in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. Om financiële redenen neemt ze zijn werk als kraandrijver over. Ze knipt haar haren, vermaakt zijn kleding, drinkt bier en eet varkenspootjes. Om ontmaskering te voorkomen neemt ze de vreemdste beroepen aan. Tot kampopzichter aan toe, zodat ze geen medische keuring hoeft te ondergaan. Naarmate haar leven vordert, kan ze niet meer terug.

Karina Holla: ‘Die vrouw is een overlever. Ze is erin geslaagd om alle moeilijkheden te doorstaan en erover te vertellen. Dat fascineert me. Tegelijkertijd is zij zo totaal anders dan ik. Ik ben opgegroeid met het idee dat je troost kunt putten uit kunst. Zij ruilt haar lichaam voor een zak kippenvoer. Ik vind het een uitdaging om onderzoek te doen naar een vrouw die helemaal niet op mij lijkt.’

Sowieso is Holla gefascineerd door de grote ideeënrijkdom in de jaren dertig en veertig, met vernieuwende kunstenaars als Bertolt Brecht, Valeska Gert en Elias Canetti. Holla: ‘Dat “totale anders zijn” spreekt me aan. Het idee dat er geen pad voor je is uitgestippeld, dat je nieuwe dingen kunt beleven en creëren, dat je je leven als het ware opnieuw uitvindt.’ Er is moed voor nodig om dingen te veranderen, omdat het ook heel eenzaam is als buitenstaander niet begrepen te worden. ‘De vrouw in deze voorstelling is ontzettend dapper. Ze had thuis kunnen gaan zitten verpieteren, maar ze trekt de wijde wereld in. En zowaar, ze houdt het vol.’

Vrijgevochten

Karina Holla groeide op als enig kind in een gezin vol klassieke muziek en boeken. Ze danste thuis veel om de aandacht van haar ouders, die een moeilijke relatie hadden, wat af te leiden. Op het Montessori Lyceum in Zeist maakte ze kennis met de schrijver Franz Kafka, die haar de rest van haar loopbaan zou blijven inspireren. Afgelopen zomer maakte ze in Rijeka (Kroatië) nog de voorstelling Kafka project/Borders, die haar de prijs opleverde voor de beste theaterproductie in Kroatië van 2013.

Vervolgens ging ze naar de toen net opgerichte mimeopleiding, waar ze zich meteen thuis voelde. Holla: ‘De opleiding was toen nog een casco, dat je zelf kon inrichten. De belangrijkste bewegingsdocenten waren Frits Vogels en Luc Boyer. In die tijd zijn veel zaadjes geplant voor de rest van mijn werk. Zo vertelde Luc Boyer eens een verhaal van de Franse kunstenaar Roland Topor. Ik heb hem later opgezocht en hij heeft nog een tekst voor mij geschreven. Tijdens de opleiding heb ik ook een stuk gemaakt over Escurial, waarmee ik wilde laten zien dat de mimetechniek mogelijkheden biedt tot het verbinden van acteren en bewegen. Dat je theater kunt maken met mime. Gerardjan Rijnders heeft dat toen gezien. En ik werk nog steeds met hem samen. Het is allemaal op die opleiding begonnen.’

Daarna kwam de stap naar de buitenwereld. Holla: ‘We hadden tijdens de opleiding de voorstelling De maaltijd gemaakt, beïnvloed door Bob Wilson. Iedereen op school was helemaal gek op die voorstelling. Maar op het moment dat we haar bij de opening van het nieuwe Rotterdamse Theater Lantaren speelden, ging het mis. Mensen hadden veel gedronken en riepen dat we ermee moesten ophouden, terwijl wij daar drie dagen in het theater hadden geslapen. Ik heb toen nog een grote taart in het publiek gegooid. We hebben het daarna in Mickery gespeeld en daar werd het ook neergesabeld.’

Het was een botsing tussen droom en werkelijkheid. Een werkelijkheid waarin niemand een idee had wat dat dan was, die mime. In het Shaffy Theater in Amsterdam heeft de mime zich kunnen ontwikkelen. Holla: ‘Daar kon je alles wat je wilde laten zien aan een heel fijn publiek. In 1985 ging ik in Shaffy in première met mijn eerste echte, serieuze voorstelling: Valeska, ich bin eine Hexe over Valeska Gert. Gert was een groteske danseres, die vond dat je vanuit het leven zelf dingen moest maken. Je kon alles bewegen. Of het nou neonreclame is, een boer voor een raam, orgastische dans of de dood van je vader. Dat gaf mij ontzettend veel kracht en moed om dingen te doen zoals ik ze wilde doen.’
Het was een tijd van pionieren voor de mime. Holla schetst de mime van die jaren als een erg gesloten discipline. Er werd prachtig en poëtisch werk gemaakt, maar Holla wilde zelf meer contact met het publiek. ‘Ik was erg beïnvloed door het Werktheater. Ik wilde niet spelen met een vierde wand. Ik wilde niet in een donkere hoek iets maken. Ik wilde vertellen. Bijvoorbeeld over Valeska Gert. Dat zij als joodse danseres in Duitsland op die manier haar eigen voorstellingen ontwikkelde was vooral een schandaal. Haar dansen creëerden een oproer, waarbij zelfs de politie een keer aan te pas is gekomen. Later ging ze naar Amerika, ontmoette daar Tennesse Williams en begon een eigen cabaret. Om uiteindelijk toch weer terug te keren. Dat vond ik een heel mooie samenstelling van leven en werken. Die voorstelling ging dus niet over de hoogtepunten uit haar dansen, maar ook over hoe zij uit haar leven theater destilleerde. Ik vond het spannend om dat te laten zien in een collageachtige voorstelling, waarbij ik een Kummerlied kon afwisselen met een Japanse harakiri. Het samenbrengen van die twee uitersten lijkt onmogelijk, maar als ik het speelde, voelde ik dat het klopte. Die voorstelling is de blikopener geweest voor de rest van mijn carrière.’

 

Dissonant

Het groteske dat Valeska Gert typeerde, is ook bij Karina Holla een belangrijk kenmerk gebleven. Hoewel de associaties die nu rondom ‘grotesk’ kleven niet meer helemaal de lading dekken van Holla’s stijl. Haar voorstellingen zijn weliswaar soms absurdistisch en vervreemdend, maar ze zijn nooit bedoeld om af te stoten of te provoceren. Daarvoor is het contact met het publiek haar te dierbaar. Het is Holla vooral te doen om de ‘emancipatie van de dissonant’.

Holla: ‘Ik vind het heerlijk om als vrouw een metamorfose door te maken naar een monster. Om vanuit de beweging die transformaties te maken en ook de andere kant te laten zien. Het was heel fijn om in het buitenland te kunnen vertellen dat je in Nederland niet hoefde te behagen. Hier mocht je mensen op het verkeerde been zetten en op een nieuwe manier naar de wereld laten kijken. Ik wil in mijn voorstelling spelen met de lelijkheid en de schoonheid. Tijdens het werken aan Zwanenzang bijvoorbeeld hadden de spelers een heel zachte en vloeiende dans gemaakt. Ik wilde daar wat hoekigheid in, om op die manier ook de gebrokenheid, de pijn, het oud zijn te kunnen laten zien.’

Dat heeft bij Holla alles met acceptatie te maken. ‘Het gaat om het omarmen van de hele mensheid. Dus van jong, maar ook van oud. Van gebrekkig. Van afstotend. Het leven en de mens heeft nu eenmaal beide kanten. En het is belangrijk je open te stellen voor nieuwe en andere ideeën.’

Daarbij moet je soms risico’s kunnen nemen, vindt Holla. In het steeds behaagzieker wordende Nederlandse theaterveld wordt dat steeds lastiger. Gelukkig gaat het goed met de mime. Makers als Boukje Schweigman, Jakop Ahlbom en Golden Palace worden structureel gefinancierd. Veel regisseurs kiezen ervoor met mimespelers te werken. Maar de mime moet wel autonoom blijven. Holla: ‘Het is belangrijk dat de identiteit blijft. De mime moet niet opgaan in iets anders. Dat hebben wij altijd met veel bloed, zweet en tranen bevochten.’

De nieuwe generatie staat een behoorlijke uitdaging te wachten. Enerzijds ziet Holla dat de studenten de neiging hebben zich nu al in te dekken en veilige keuzes te maken. Doodzonde, vindt Holla. ‘Dat is precies waar de politiek je hebben wil. Dat je niet meer durft.’ Anderzijds ziet ze ook heel veel energie en trots op de mime bij de studenten. ‘Ik zeg tegen ze: jullie zijn jong, het leven is kort, zoek je grenzen op, geniet ervan, wees trots op wat je doet, wees in het moment en geef alles wat je hebt. Durf te vallen. Durf in wonderen te geloven.’

Die passie heeft ervoor gezorgd dat Holla toch weer een nieuwe voorstelling kan maken. Weliswaar zonder middelen of subsidie, maar het lukt haar wel. Niet alleen dankzij het lesgeven, maar ook dankzij de verschillende projecten die ze in bijvoorbeeld Stockholm, Zagreb en Brazilië doet. Holla: ‘Ik heb een fantastische tijd achter de rug. Ik heb zoveel projecten kunnen doen en ik heb altijd mijn eigen theater kunnen maken. Ik heb er nooit, zoals de studenten nu, allerlei baantjes naast hoeven doen. Dus ik heb het idee dat ik ook wel weer iets kan teruggeven. Desnoods sta ik zonder financiële middelen in mijn eentje op het podium, maar ik wil voorstellingen blijven maken.’

www.karinaholla.nl

 

(eerder verschenen in Theatermaker, april 2014)